U.B.A. Verwey I*.247.
Noordwijk a/Zee
27 jani. 09
DE BEWEGING
Algemeen Maandschrift voor
- Letteren, Kunst, -
Wetenschap en Staatkunde.
Redactie:
T.J. de Boer - Albert Verwey
en Is.P. de Vooys
Waarde Heer van Eyck,
Uw voorstel de Ode aan het Land door een ander gedicht te vervangen acht ik beter niet aan te nemen. Het kon korter, maar als facet van uw werk blijft de plaatsing wenschelijk. Het is bovendien gezet, en ik zal trachten het te plaatsen in het Maart-nummer.
Met ‘noch de Beweging noch uwe reputatie baten’ bedoel ik het volgende. Ik wensch u, zooals andere jonge dichters, aan kenners van poëzie voortestellen, van verschillende zijden. Als ik zoo doe zal de Beweging zelf, in haar jaargangen, een beeld geven, van wat er aan dichterlijke pogingen is omgegaan. Tegenover datgene wat van u in de Bew. verschenen is, was nu Medousa 1o niet nieuw, 2o niet zoo voortreffelijk dat het zijn omvang goedmaakt.
Het gevaar waarvoor ik u waarschuw is: gebrek aan concentratie, en daardoor herhaling van vormen en wendingen.
Een voorstel, door u gedaan, proza te schrijven voor De Beweging, moet mij of niet bereikt hebben of me ontgaan zijn. Sints het onderhoud waarbij ik u aanried over Samain te schrijven, herinner ik me niet dat daaromtrent iets tusschen ons verhandeld is.
U denkt over uw werk hoog en brengt u, niet alleen als dichter, maar meer bizonder als medewerker van De Beweging, in vergelijking met anderen. Ook hoopt u door mij niet als een jeugdig en van uzelf-onzeker auteur te worden aangezien.
U moet bedenken dat ik mij naar de bedoelde vergelijking niet kan regelen, en dat ik u inderdaad voor jeugdig en onzeker houd.
Ik heb niet willen nalaten uw brief te beantwoorden; - ten eerste omdat ik een vriend van verzet ben en het uwe alleszins begrijpelijk vind, - ten tweede omdat ik u genoeg verstand toeschrijf om de verhouding van De Beweging tot haar lezers en tot haar medewerkers onbevangen in te zien.
Geloof me, met vriendelijke groeten,
Uw dw.
Albert Verwey