terug  begin  verderprepost

29.
Brief
.

's-Gravenhage 28 Jan. '09

 

Zeergeachte Heer,

Mag ik nog even en paar woorden zeggen? Ik wilde gaarne een verkeerden indruk wegnemen. U zult mij ongetwijfeld wel willen gelooven, dat ik niet hoog denk van mijn werk. Zoolang ik 't ‘en portefeuille’ heb, bezit ik er mijn genegenheden onder. Deze zijn meestal onafhankelijk van de letterk.waarde en bepalen in den regel de keuze mijner zending.102 Wanneer het aangenomen is, wordt het mij dadelijk onverschillig, en na doorzage en correctie der drukproef krijg ik in den regel het land aan mijn werk. Ik herlees het dan ook nooit of zoo goed als nooit. Ook trek ik geen parallellen tusschen mijn en anders werk, omdat ik er de nuttigheid niet van inzie. Dat ik mij zelf de meerdere gevoel van de meeste verzenschrijvers die de andere tijdschriften vullen, U zult't mij niet ten kwade duiden. Maar zoodra ik ernstig, beteekenend werk onder 't oog krijg, is mijn eerste gedachte: ‘zoo zal ik 't nooit kunnen’. Die vergelijking, die ik maakte, was slechts gesteld: werd gemaakt voor 't geval U iets algemeen bedoeldet, of niet.

[p. 76]

Misschien door mijn wijze van uitdrukking, hebt u mij omtrent het ‘onzeker wankelen’ misgevat. Ik bedoelde dit zuiver relatief. Wanneer ik het pedante denkbeeld had, mijn weg reeds gevonden te hebben, dan zou dit een flagrante stommiteit zijn. Gelukkig niet. De kennis van mijn eigen woelend, twijfelend tastend leven, dat ik in mijn verzen tracht te geven, maakt de bewustheid eener vastheid in de kunst onmogelijk.103 Ik zoek. Maar ik meende, dat ik het pijnlijk vallen, het zóó storten dat de ontwikkeling er kort of lang door gestuit zou zijn, enz., dat dit voorbij was, en dat dit vroeger voorbij was dan dit in den regel het geval is, bij menschen, bij kunstenaars, wier leven een voortdurende worsteling is.

In een mijner brieven vroeg ik U: zoudt U principieel bereid zijn, een opstel op te nemen over Janus van v.d. Woestijne.104 Dit had ik op het oog. Het principieel bereid zijn zou mij te kennen gegeven hebben, dat ook ander werk dan verzen geplaatst zou kunnen worden.

Het doet mij zoo'n groot genoegen dat U geantwoord hebt. Ik hoop dat door mijn brief geen verkoeling ten mijnen opzichte bij U heeft plaats gehad. Zij het, helaas, dat alleen bij gelegenheden brieven tusschen U en mij gewisseld worden, - zoo als aan U schrijf ik toch aan geen redacteur. En juist omdat de Beweging het éénige tijdschrift is, dat stijl heeft, en niet is een samenstelling zonder vaste lijn van vele, meerendeels slechte bijdragen, noem ik mij zelf altijd vóór alles medewerker aan de Beweging en het is mijn wensch, van dat tijdschrift een belangrijk medewerker te worden. -

U heeft van mij nog nooit zuiver lyrische, korte gedichten gehad. Zou ik U, eenigen tijd na plaatsing van wat U nog hebt, daarvan een aantal zenden?

Dan werk ik op 't oogenblik aan ‘Zeven Zinnebeeldige Verhalen’ in verzen, - geen bestaande stof, meerendeels, maar verbeelde inhoud. Eén, niet heel groot (34 strophes van 4 regels) heb ik af.105 Ook dat lijkt mij van geheel andere geaardheid te zijn dan mijn voorgaande verzen.-

Met plaatsing in Maart, zoudt U mij gróót genoegen doen - Ik heb mij op de Bew. geabonn. en ook een vriend er toe overgehaald.106 Ik zal trachten nog meerderen over te halen. Na bel.gr. en dankbet.

Hoogacht.
Uw dw.
v. Eyck

102Deze omineuze mededeling is van belang om de houding van de jonge dichter tegenover de literatuur te begrijpen. Men kan aan de hierin gestipuleerde onafhankelijkheid twijfelen - hoe graag werd Van Eyck vóór alles als dichter gewaardeerd! - zonder een sterkere intentie in religieus-wijsgerige zin te ontkennen. Wat verder in deze alinea staat, bevestigt wat hij in 't begin geformuleerd heeft.
103Nog in 1913 zal Van Eyck in het vraaggesprek met E. d'Oliveira ( De jongere generatie . Nederlandsche Bibliotheek o.l.v. L. Simons; nr. 276-278. Amsterdam 1914) de klemtoon leggen op het ‘zoeken’ dat onzekerheid verraadt. Zie in a.w.: pp. 227 e.v. Vooral ook p. 229 i.v.m. het onder noot 102 aangeduide. Over Dostoievsky sprekend zegt hij daar: ‘Zijn geheele werk behandelt het zoeken naar den zin van het leven, en naar een ethiek, daarop gebouwd.’ En nu laat hij een van zijn figuren zeggen: ‘Ge moet het leven liefhebben boven den zin van het leven ...’ Daartoe heb ik nooit kunnen komen, en toch voel ik dat ik dàt noodig heb. Ik ben er niet in geslaagd het leven met geheel mijn gevoel en geheel mijn intellect te zaam lief te hebben, zoolang ik den zin van het leven niet gevonden heb.’
104Zie nr. 22; noot 75.
105Van de Zeven Zinnebeeldige Verhalen is er totnogtoe geen gevonden.
106Van Eycks abonnement was het gevolg van een aansporing door Alex Gutteling. De vriend die ‘overgehaald’ werd, was P.C.A. Geyl.
prepostterug  begin  verder