's-Gravenhage, eind Maart,
Zeergeachte Heer,
Eerst wilde ik U nog eens hartelijk danken voor de vriendelijkheid, waarmede U mij ontvangen hebt, en de bereidwilligheid, waarmede U mij ten aanzien van mijn arbeid hebt willen helpen.109 Hierbij zend ik U nu het besproken gedicht: ‘Het gebed van Maria Magdalena’, in ieder geval een belangwekkend onderwerp.110 Wat mijn bundel betreft, (Mad.Sab. liet ik wegvallen) hij verschijnt in de tweede helft van Mei, en ik zou
wel zeer gaarne dat eene kleinere versje nog opgenomen zien.111 Zoo'n dadelijk lyrisch gedichtje zag ik nog niet in de Beweging, en het zou wel aardig zijn, wanneer ook die kant er nog in gestaan had. Het is zoo klein.
Ik heb tot mijn groote spijt nog geen antwoord gekregen v.d. uitgevers der Beweging.112 Zou er niets meer aan te doen zijn? Dat zou mij spijten. In de hoop op een gunstig antwoord, verblijf ik inmiddels, na bel.gr.
Met de meeste Hoogacht.
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr. 223
31 Maart '09
P.S. Ik zend U hierbij ook de vertaling van een sonnet van Baudelaire.