Aan den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee
Afzender:
Columbusstr.223,
Den Haag
's-Gravenhage, 17 Apr. '09
Hoog geachte Heer,
Hedenmiddag ontving ik Uwe zending. Het feit, dat U een gedicht terugzendt, dat U eerst aannemelijk verklaardet (met de bijvoeging, dat U over de ‘kleinigheden’ nog niet kondt oordeelen; dat U een ander zonder eenige, toch nuttige motiveering, ongeschikt acht;119 dat U gedichten in een ander tijdschrift, geen zonder zijn eigen beteekenis, zonder meer ‘woorden’ noemt,120 en dus over 't algemeen mijn werk niet meer schijnt te kunnen waardeeren, dat U, tenslotte, terwijl U gedurende bijna 2 jaar met geregelde tusschenpoozen mijn werk plaatstet, mij de mogelijkheid van verdere medewerking voor de eerstkomende maanden, en, daar van andere medewerkers, natuurlijk geregeld bijdragen zullen blijven inkomen, die tegelijkertijd voor langen tijd afsnijdt, doet mij wel inzien, dat verdere pogingen van mijn kant U niet aangenaam zijn zouden, en dat U liever mijn medewerkersschap als geëindigd wilt beschouwen. Ik zou niet graag mijn werk opdringen en zal dus Uw wenk ter harte nemen. Alleen spijt het mij wel, dat het tijdschrift, waarin ik gedebuteerd heb en steeds 't liefste
schreef voor mij gesloten zal zijn, als ook, dat mijn eerste bundel, (reeds grootendeels afgedrukt), die natuurlijk ook de door U afgekeurde Gidsverzen bevat, juist bij de Beweging een geringschattend onthaal zal ondervinden.121
Ik hoop dat U dit schrijven niet zult beschouwen als een gevolg van zich onbesuisd uitende gepikeerdheid, - het is alleen de doelloosheid, die ik in heel mijn streven zie, en de omstandigheid dat de meest doorleefde en doorvochten dingen ongevoelde leegheid schijnen, die mij aan het nut van éénige publicatie doen twijfelen. Hierom ook, niet omdat de bundel eenige door U veroordeelde verzen bevat, betreur ik de uitgave van mijn boekje. U dankzeggend voor Uwe bereidwilligheid, verblijf ik, na bel.gr.
Met de meeste Hoogachting,
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr. 223