terug  begin  verderprepost

37.
Brief
.

4 Juni '09

Zeergeachte Heer,

Hierbij heb ik de eer en het groote genoegen U een exemplaar van mijn bundeltje toe te zenden,122 waarvan ik hoop, dat het U aangenaam zal zijn. Ook bied ik U een nieuw gedicht aan, de tweede dialoog ‘De Dichter en de Jonge Vrouw’.123

U zoudt mij groot genoegen doen, wanneer U over het boekje, van welks 74 bedrukte paginae 47 in de Beweging stonden, in het tijdschrift iets wildet schrijven.124 Ik vroeg den uitgever U geen recensie ex. te zenden, omdat ik U liever zelf een gebonden ex. stuurde, dat U zeker tegelijkertijd wel als rec.-ex. zult willen beschouwen. Het bijgaande gedicht is mijn eenige productie van de laatste maanden, ik zal met spanning Uwe beslissing tegemoet zien: juist dit, natuurlijk, had ik bovenal gaarne, in de Beweging. Den 7e is het juist een jaar geleden dat U mijn vier gedichten van Nov. en

[p. 85]



illustratie
Titelblad van de bundel De getooide doolhof.

[p. 86]

Maart accepteerdet.125 Dit kom[t] toevallig uit, ik hoop dat 't een voorteeken voor Uw beslissing is.

Na bel. groeten verblijf ik inmiddels

Met de meeste Hoogacht.
uw
P.N. van Eyck

Columbusstr.223
Den Haag

122De toon van deze anderhalve maand later door Van Eyck geschreven brief is aanmerkelijk opgewekter dan de mineur-stemming van 17 april daarvoor zou doen verwachten. De Getooide Doolhof was 5 juni 1909 verschenen. Zie nr. 32; noot 111.
123Deze ‘tweede dialoog’ betrof De Dichter en de Jonge Vrouw. Een afschrift daarvan is niet gevonden. De Getooide Doolhof, 1909, pp. 49-60; 1911, pp. 22-30.
124Zie nr. 39.
125Op 7 juni 1908 - zie nr. 22; noot 70.
prepostterug  begin  verder