4 Juni '09
Zeergeachte Heer,
Hierbij heb ik de eer en het groote genoegen U een exemplaar van mijn bundeltje toe te zenden,122 waarvan ik hoop, dat het U aangenaam zal zijn. Ook bied ik U een nieuw gedicht aan, de tweede dialoog ‘De Dichter en de Jonge Vrouw’.123
U zoudt mij groot genoegen doen, wanneer U over het boekje, van welks 74 bedrukte paginae 47 in de Beweging stonden, in het tijdschrift iets wildet schrijven.124 Ik vroeg den uitgever U geen recensie ex. te zenden, omdat ik U liever zelf een gebonden ex. stuurde, dat U zeker tegelijkertijd wel als rec.-ex. zult willen beschouwen. Het bijgaande gedicht is mijn eenige productie van de laatste maanden, ik zal met spanning Uwe beslissing tegemoet zien: juist dit, natuurlijk, had ik bovenal gaarne, in de Beweging. Den 7e is het juist een jaar geleden dat U mijn vier gedichten van Nov. en

Titelblad van de bundel De getooide
doolhof.
Maart accepteerdet.125 Dit kom[t] toevallig uit, ik hoop dat 't een voorteeken voor Uw beslissing is.
Na bel. groeten verblijf ik inmiddels
Met de meeste Hoogacht.
uw
P.N. van Eyck
Columbusstr.223
Den Haag