terug  begin  verderprepost

38.
Briefkaart
.
Poststempel: 20.8.09
[Potloodaantekening van de hand van Van Eyck: 20 Aug.'09]

Columbusstraat 223
Haag

den Weled.geb. Heer Alb. Verwey
Noordwijk a/Zee

Hooggeachte Heer,

Daar ik er prijs op stel, dat U van mij niet den indruk verkrijgt als zou ik het zóó voorstellen, dat U mij nooit iets over het door U afgekeurde werk gezegd hebt, hetgeen ondankbaarheid zou insluiten, wilde ik U even uitdrukkelijk verklaren, dat ik alleen gezegd heb, dat U een gedeelte mijner verzen afkeurend, daarvan de waarschijnlijke oorzaak niet zeidet. Ik heb wel terdege erkend dat U er met mij over gesproken en gecorrespondeerd hebt.126

Mijn correspond. met Gutt. is geëindigd. Het spijt mij, dat U den indruk zult krijgen, dat ik daarvan de aanleiding ben.127

Mag ik U nu in alle bescheidenheid niet aandringen op Uwe beslissing omtrent mijn gedicht? Ik heb zelfs niet gehoord, of U mijn bundeltje ontvangen hebt. Na beleefde gr. Hoogacht.

Uw dw.
P.N. van Eyck
U.B.A. Verwey I*. 247

126Dat Van Eyck op de kwestie van afkeuring van een aantal gedichten door Verwey terugkomt - zie nr. 33 - is vermoedelijk in verband te brengen met de correspondentie tussen hem en Gutteling. De laatste voelde zich wat beklemd door Van Eycks verzoek om kritiek en schreef daarover aan Verwey die hem adviseerde er niet op in te gaan. Verwey had Van Eyck mondeling daarover grondig gesproken. Het is denkbaar, dat Gutteling heeft laten blijken van dat kritische gesprek vernomen te hebben.
127De briefwisseling met Gutteling eindigde vrij abrupt. Verwey had de jonge dichter aangespoord de correspondentie te beëindigen. Uiteraard was Van Eycks aandringen op een andere kritische reactie van Gutteling op de door Verwey ongunstig beoordeelde gedichten in feite de aanleiding tot de breuk. Dus toch...!
prepostterug  begin  verder