[Brief nr. 40 dateert van 1909, zoals Van Eyck er jaren later - na
teruggave ervan door mevr. Verwey-van Vloten - met potlood onder zette. De
correspondentie met Gutteling was voorbij en
Verweys kritische opmerkingen van 26 augustus 1909 waren hard aangekomen.
Van Eyck was niet onmiddellijk ‘down’: blijkens verwijzingen naar
Verweys brief van 26 augustus en naar de kort daarvoor geëindigde
correspondentie met Alex Gutteling - zie brief 38 - is deze brief of de
31ste augustus of in de eerste dagen van September 1909 geschreven.]
[Ongedateerd. Met potlood onderaan: 1909.
Zie Verweys
brief van 26 augustus 1909]
Hooggeachte Heer,
Wanneer ik niet de vaste meening bezat, dat het werk dat ik U hier nog zend van anderen aard is, dan hetwelk U afkeurt, - dan zou ik U niet meer lastig gevallen hebben. Ik kán De Beweging maar niet zoo mij zien ontvallen: sta mij toe het nog éénmaal te beproeven, ik beloof U, daarna niets meer te zullen sturen. Zou dan werkelijk alles wat ik nu schrijf, minderwaardig zijn? Erkentenis en Om Liefde zijn van dezelfden tijd als de afgekeurde gedichten,131 - dit mag mij de hoop geven, dat ook nu niet mijn geheele productie tot diegene behoort, die U verstandelijk-gecomponeerd en inhoudsloos noemt. Bij de Ruïnen van Babylon is niet verstandelijk gecomponeerd.132 Welk gedicht ervan gekomen is, zult U misschien beoordeelen willen, maar ik weet, dat het een plotseling opgewelde idee was, die niet door een voorafgaande logische gedachtengang voorbereid werd. En inhoudsloos? Het kan zijn, dat ik niet meer de macht heb, de inhoud die ik wil geven, te geven. Maar het gedicht is mijzelf uit het leven gegrepen. Daarom durfde ik 't nog sturen. U begrijpt zelf, hoe verschrikkelijk het voor mij moet zijn, te komen tot de overtuiging, dat ik niets beduidends meer te zeggen heb. Dáárom juist zult U deze ééne zending nog wel aan Uw beoordeeling willen onderwerpen.
Ik wilde gaarne nog één ding zeggen: Dat het mij getroffen heeft hoe gematigd uw brief is, en hoe U het al of niet aannemen van uw oordeel als noodzakelijk afhankelijk stelt van mijn eigen toestand. Ik verzeker U, dat ik mij nooit in een zaak van dit belang zal laten leiden door mijne ijdelheid. Het verschil tusschen Uw brief en de brieven van Gutteling is te groot.133 Wanneer ik U, zelfs, met deze schrijfsels in mijn hand, er de onjuistheden, de weifel-achtigheden en de flagrante afhankelijkheden van kon aantoonen, dan ben ik overtuigd dat U, niettegenstaande Uwe genegenheid voor G. zoudt inzien, dat de verhouding tusschen hem en mij niet anders kon loopen als zij
geloopen is. Hopend dat deze zending een begin moge wezen van een vernieuwde en welkome medewerking, verblijf ik, met àl de hoogachting, en àl de bewondering, die G. mij met een drogreden als voorgewend of zoo iets wilde doen aannemen, na beleefde groeten
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr.223