terug  begin  verderprepost

41.
Brief
.

[Op de vorige brief had Verwey niet gereageerd en pas na enkele maanden probeerde Van Eyck opnieuw contact met hem op te nemen. Ondanks de mogelijkheden in nogal wat andere tijdschriften, miste de jonge dichter De Beweging, naar hij schreef. Ten eerste waren de meeste van de andere bladen algemener van opzet, maar ten tweede miste hij vooral de kritische reacties en begeleiding van Albert Verwey ! Het vermoeden van naijver op Gutteling b.v., die dichter bij de Noordwijkse meester stond dan hij, vindt ook hierin enige steun. De eerste cursieve zin getuigt voor het gevoelde gemis aan kritische begeleiding. Het slot van de eerste alinea versterkt de gedachte aan een wens tot nauwere relatie met Verwey. De eerbied voor en de erkenning van de laatste laat zich opnieuw merken in de tweede cursieve zin. Onverkort blijft Verweys oordeel gelden, waar hij Van Eyck voor ‘onzeker’ houdt.]

[1909 in potlood]

Den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee

 

[in potlood bijgeschreven: eerste verzen v. Getijden]

 

Hooggeachte Heer,

Het zal U wellicht verwonderen, nogmaals verzen van mij te ontvangen, niettegenstaande het feit, dat U, door mij op mijn vorige zending niet te antwoorden, duidelijk hebt laten merken dat het U vooralsnog niet aangenaam is, een aanbieding tot opname van mij te krijgen. Alleen met de gedachte aan Uw kritiek en Uw laatsten brief heb ik den moed gevat U te schrijven. In de laatste spraakt U van een ‘te vernieuwen gevoelsaandrang’ als voorwaarde voor verdere goede productie: Deze nieuwe gevoelsinhoud is inderdaad gekomen, en daarom wilde ik nu mijn gedichten aan Uw oordeel onderwerpen, in de hoop, dat mijn dichterschap onderhand niet gestorven is, en dat ook dít gevoel mij goede verzen mag gegeven hebben. Daar U zelf alleen bij verandering mijner opvattingen niet(s) zaagt in verdere correspondentie, meende ik dit oogenblik het gunstige: U zult zelf billijken, dat ik, meenende dat de voorwaarde vervuld is, weer tot U kom met hetzelfde verzoek, dat U mij reeds meermalen hebt toegestaan, en waarvan U het alleréérst de vervuller geweest bent: het verzoek om plaatsing.

[p. 90]



illustratie
Omslag van Groot Nederland, januari 1910.

[p. 91]



illustratie
Zooals de steen in 't doffe goud’, door P.N. van Eyck, in Groot Nederland, januari 1910, p. 103.

[p. 92]

Al wat in andere tijdschriften tot nu toe geplaatst werd, is minstens een half jaar ouder dan wat ik nu zend.134 De overgang is dus in elk geval niet kunstmatig geweest. U zult ook de beteekenis van deze zending voor mij beseffen: De ondergrond toch is feitelijk een poging uit den mond van een der meest bevoegden te hooren of ik bij verwarming van mijn gemoedsleven, mijn dichterschap heb mogen behouden. Op grond hiervan waag ik het ook, U beleefd te verzoeken mij dan deze ééne maal (wanneer Uw oordeel ongunstig is) nog met Uwe beoordeeling ter wille te willen zijn. Misschien wilt U mij dan tegelijkertijd de andere verzen terugzenden, waarvoor ik zoo vrij ben, een postzegel in te sluiten. Inmiddels, bij voorbaat hart. dankend, verblijf ik, na beleefde groeten Met de meeste Hoogachting

Uw dw. P.N. van Eyck
24.1.10
Columbusstr.223, Den Haag.

134Weliswaar bleef hij publiceren, maar de gedichten waren van oudere datum: voorjaar en zomer van 1909.
prepostterug  begin  verder