[Met potlood geschreven: 23 maart '10.]
De Weled. geb. Heer, den Heer Alb. Verwey
Noordwijk
a/Zee
Hooggeachte Heer,
Even wilde ik U zeggen hoe blij mij Uw schrijven gemaakt heeft.139
Ik had niet gedacht, dat ik, die mij nu toch al zóó dikwijls gedrukt zag, nog zoo spontaan blij kon zijn over de aanneming van een gedicht. Dit komt ook doordat ik het plan had, het aan 't eind van 't jaar uittegeven in een apart boekje, - het is 1½ × zoo groot als Beatrijs140 - waarvoor het door zijn afgeslotenheid zeer geschikt is, - en bij mij zelf had ik dit afhankelijk gemaakt van Uw oordeel.141 Voelt U iets voor dit plannetje? Juist omdat het een gedachte bevat, die mij vroeger vreemd was en onwinbaar scheen, - een die veel modernen, vooral veel jongeren hetzelfde is en schijnt, - zou ik zoo graag dit werkje afzonderlijk uitgeven als een soort van getúigenis ook.
Zoudt U mij de groote dienst willen doen die plaatsen, waar het rhythme te kort schiet, op de copy aantemerken? Gaarne wilde ik die dan trachten te herstellen.
Van mijn vriend Bloem vernam ik eenige weken geleden, dat hij van U zoo'n mooi portretje ontvangen had, genomen in Uw studeerkamer. Ik nam mij voor, de eerste maal dat ik U schrijven zou, U beleefd te vragen, of U voor mij misschien ook een exemplaar beschikbaar hebt.
Ik herinner mij Uw kamer, met zijn wijde uitzichten nog zoo goed, het lijkt mij juist zoo verrassend Uw bekend gezicht in die bekende omgeving te zien. Ik hoop, dat U
mijn verzoek niet als onbescheidenheid zult willen opvatten. U nogmaals hartelijk dankend voor Uw brief, verblijf ik inmiddels.
Na bel. gr.
Hoogachtend
Uw dw.dr.
P.N. van Eyck,
Columbusstr. 223
Den Haag
23 Maart 1910