Den Weled.geb. Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan
Zee.
[In potlood: voor 30 Oct. '10]
Hooggeachte Heer,
Hierbij zend ik U een gedicht ter beoordeeling. Gaarne zag ik 't, wanneer U 't goedkeurt, geplaatst in de Beweging.142
De heer v. Dishoeck heeft zich principieel bereid verklaard, van mij een bloemlezing van Heiman Dullaert uittegeven, ik wenschte deze dan te combineeren met een bloemlezing van Revius.143 Ik wilde U nu een paar vragen stellen.
Zoudt U mij willen vergunnen, de bloemlezing aan U op te dragen ? Niemand anders dan U zou op iets dergelijks aanspraak kunnen maken, de reden weet U zelf.
Voorts: wat zoudt U mij raden: Dullaert en Revius tezamen of afzonderlijk te nemen ? v.Dishoeck had veel zin het mooi uittegeven, het bij Enschedé144 te laten drukken, etc. Voelt U niet iets voor het plan ? Het is toch een feit, dat geen van de dichters heden ten dage de bekendheid hebben [sic], die zij verdienen.

Brief door Albert Verwey op 30 oktober 1910
gericht aan P.N. van Eyck.
Mocht U zoo vriendelijk willen zijn, mij hierop te antwoorden, U zoudt mij een buitengewoon groot genoegen doen. Inmiddels, bij voorbaat dankend voor Uw moeite, verblijf ik, na bel. groeten,
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr. 223
's-Gravenhage