terug  begin  verderprepost

48.
Brief
.

's-Gravenhage, 1 Nov. 1910

Hooggeachte Heer,

Uw briefkaart verraste mij buitengewoon aangenaam. Het deed mij zooveel genoegen, te bemerken, hoe U een meening over mij hebt, die mij tot zulk een moeilijke taak in staat rekent, en hoe ik thans door U zelf werd uitgenoodigd tot medewerking. Ik heb mij verschillende dingen ernstig afgevraagd. Ik weet niet, òf ik werkelijk berekend ben voor het volvoeren van dien taak. Twee jaar geleden had ik een studie willen schrijven over Baudelaire en ik heb haar uitgesteld, omdat ik, naar eigen oordeel, de bekwaamheid daartoe miste.148

Poe was psychisch een niet minder ingewikkeld complex van eigenschappen dan Baudelaire. Zoo denk ik: ben ik er nu wèl toe in staat ? Is het misschien niet beter, nog een paar jaar te wachten ? Daartegenover staat, dat het werk mij buitengewoon aanlokte en gaarne antwoord ik daarom: ‘ik zal het probeeren, U kunt dan zelf het resultaat beoordeelen’ (hoewel ik dan weer huiverig ben, want ik zou niet gaarne Uw gunstige opinie verliezen.)

En doen zich nu verscheidene dingen voor. 1o. Kunt U mij een niet te korten tijd gunnen ? Ik laat liever geen letter van Poe ongelezen en onherlezen. Voorts heb ik voor rechtenstudie en andere literaire studies, die ik op mij genomen heb ter regelmatige

[p. 99]

levering, veel tijd noodig. Is dit een bezwaar? Mij dunkt, voor 't eerste halfjaar van 1910 kan ik 't toch wel beloven.149 Misschien kunt U zich daarmee vereenigen.

2o. is er tot mijn spijt een geldelijke kwestie. Wij zitten gelukkig wel niet meer voor geldelijke armoede, maar toch zijn mijn honoraria nog hoog noodige bijdragen. Daarom wilde ik U vragen: Is er mogelijkheid, dat mij een zeker honorarium wordt uitgekeerd in 1911? Allereerst moet ik natuurlijk de ‘Verginia [sic] Edition’ de meest complete en philologisch meest betrouwbare uitgave koopen, omdat ik er een tijd lang intiem made moet omgaan.150 Gaarne verneem ik ook hieromtrent Uw opinie.

Het idee lacht mij anders wel toe. Ik zou bijzonder gaarne een reeks studies over belangwekkende personen schrijven en later vereenigen. Mijn artikel over Samain zou ik grondig onderhanden nemen, of herschrijven. Voor de Gids heb ik een studie over van Lerberghe gereed, die Februari verschijnt.151

En dan een serie kortere karakterschetsen. Ik meen dat U, toen ik voor 't eerst bij U was, veel nut zaagt in dergelijke arbeid.

Het verheugt mij, dat U het gezonden gedicht geaccepteerd hebt. Dat ik U slechts één gedicht zond, vond zijn reden hierin, dat ik voor grootere zending eenigermate terugschrok. Ik ken Uw oordeel over mijn werk van dit jaar niet, en ben dan bang voor weigering.

Binnen enkele dagen verschijnt mijn nieuwe bundel, die ik U hoop te zenden, en zoo ik in de Beweging van Uw eigen hand een beoordeeling mocht lezen, zou mij dat veel genoegen doen.152

[p. 100]



illustratie
Titelblad van de bundel Getijden.

[p. 101]



illustratie
Brief door P.N. van Eyck op 14 november 1910 gericht aan Albert Verwey.

[p. 102]



illustratie
‘Ter herinnering aan Alex. Gutteling’, door P.N. van Eyck, in De Beweging, december 1910, p. 233 en 234.

[p. 103]



illustratie

[p. 104]

Kunt U reeds iets zeggen over de tijd van plaatsing van mijn vers?153 Ik hoop dat ik U niet te lang ophield en verblijf inmiddels, na bel.gr.

Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck

 

Columbusstr. 223

148De studie over Charles Baudelaire zou pas vorm krijgen, toen de Van Eycks reeds dachten over een terugkeer naar Nederland in de maanden augustus tot oktober 1915. In Siena voltrok zich die vormgeving tussen 11 augustus en 20 oktober van dat jaar. Zie: Maatstaf, jrg. 5 (1957-1958), nr. 3-4; pp. 150-188; V.W., 3; pp. 606-699.
149Misschien bedoelde Van Eyck hier 1911, hoewel ook die tijdsaanduiding rijkelijk vroeg lijkt, als men leest wat hij ter voorbereiding wilde bestuderen. M.i. zou 1912 daarom beter passen.
150Edgar Allan Poe (Boston 19.I.1809-Baltimore 7.X.1849) had een verdrietige jeugd. De vader verliet het gezin kort na de geboorte van zijn zoon. De moeder stierf in het kraambed. Materieel ging 't beter toen hij de stiefzoon werd van een gefortuneerde zakenman. Met zijn stiefouders woonde hij in Engeland van 1815-1820. Hij studeerde letteren aan de universiteit van Virginia, maar moest daarmee ophouden wegens speelschulden. Een opleiding aan de militaire academie in West Point werd evenmin een succes: wegens plichtsverzuim werd hij weggestuurd. Drankzucht teisterde zijn zwervend bestaan, waaraan in 1849 een einde kwam. Hij schreef een groot aantal, vaak scherpe kritieken; daarnaast poëzie en proza dat zich onderscheidt door een romantisch-gekleurde melancholie. Intuïtie en verbeelding voerden hem tot een kosmologie waarin een versplinterend heelal tenslotte weer tot eenheid zou komen. The Philosophy of Composition van 1846 kreeg door de vertaling van Charles Baudelaire enige invloed in de tweede helft van de 19de eeuw in Westeuropa. T.S. Eliot beweerde later dat een niet geheel correcte vertaling daartoe meegewerkt had. James A. Harrison, hoogleraar aan de Universiteit van Virginia bezorgde een complete uitgave van Poe's werk in 17 delen (1902). Op deze Virgina-Edition had Van Eyck het oog. Zij stond in zijn bibliotheek: ‘17 parts in 11 vols.’, maar bleef voor 't grootste deel onopengesneden. Het artikel is bij mijn weten nooit geschreven.
151Charles van Lerberghe verscheen in De Gids van juni 1911; V.W. 3, pp. 157-185.
152De nieuwe bundel was: Getijden, uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck in Bussum, 1910. Verwey besprak deze in De Beweging VII [1911]; 1; pp. 94-107 onder de titel ‘Drieërlei levenshouding’, nl. die van Gutteling en Uyldert, van Van Eyck en van Van Schendel. Op de pp. 96-99 staat een beschouwing over Getijden. Ook in Proza VIII (Amsterdam 1923); pp. 88-105; spec. pp. 91-94.
153Zie nr. 45; noot 142.
prepostterug  begin  verder