's-Gravenhage, 1 Nov. 1910
Hooggeachte Heer,
Uw briefkaart verraste mij buitengewoon aangenaam. Het deed mij zooveel genoegen, te bemerken, hoe U een meening over mij hebt, die mij tot zulk een moeilijke taak in staat rekent, en hoe ik thans door U zelf werd uitgenoodigd tot medewerking. Ik heb mij verschillende dingen ernstig afgevraagd. Ik weet niet, òf ik werkelijk berekend ben voor het volvoeren van dien taak. Twee jaar geleden had ik een studie willen schrijven over Baudelaire en ik heb haar uitgesteld, omdat ik, naar eigen oordeel, de bekwaamheid daartoe miste.148
Poe was psychisch een niet minder ingewikkeld complex van eigenschappen dan Baudelaire. Zoo denk ik: ben ik er nu wèl toe in staat ? Is het misschien niet beter, nog een paar jaar te wachten ? Daartegenover staat, dat het werk mij buitengewoon aanlokte en gaarne antwoord ik daarom: ‘ik zal het probeeren, U kunt dan zelf het resultaat beoordeelen’ (hoewel ik dan weer huiverig ben, want ik zou niet gaarne Uw gunstige opinie verliezen.)
En doen zich nu verscheidene dingen voor. 1o. Kunt U mij een niet te korten tijd gunnen ? Ik laat liever geen letter van Poe ongelezen en onherlezen. Voorts heb ik voor rechtenstudie en andere literaire studies, die ik op mij genomen heb ter regelmatige
levering, veel tijd noodig. Is dit een bezwaar? Mij dunkt, voor 't eerste halfjaar van 1910 kan ik 't toch wel beloven.149 Misschien kunt U zich daarmee vereenigen.
2o. is er tot mijn spijt een geldelijke kwestie. Wij zitten gelukkig wel niet meer voor geldelijke armoede, maar toch zijn mijn honoraria nog hoog noodige bijdragen. Daarom wilde ik U vragen: Is er mogelijkheid, dat mij een zeker honorarium wordt uitgekeerd in 1911? Allereerst moet ik natuurlijk de ‘Verginia [sic] Edition’ de meest complete en philologisch meest betrouwbare uitgave koopen, omdat ik er een tijd lang intiem made moet omgaan.150 Gaarne verneem ik ook hieromtrent Uw opinie.
Het idee lacht mij anders wel toe. Ik zou bijzonder gaarne een reeks studies over belangwekkende personen schrijven en later vereenigen. Mijn artikel over Samain zou ik grondig onderhanden nemen, of herschrijven. Voor de Gids heb ik een studie over van Lerberghe gereed, die Februari verschijnt.151
En dan een serie kortere karakterschetsen. Ik meen dat U, toen ik voor 't eerst bij U was, veel nut zaagt in dergelijke arbeid.
Het verheugt mij, dat U het gezonden gedicht geaccepteerd hebt. Dat ik U slechts één gedicht zond, vond zijn reden hierin, dat ik voor grootere zending eenigermate terugschrok. Ik ken Uw oordeel over mijn werk van dit jaar niet, en ben dan bang voor weigering.
Binnen enkele dagen verschijnt mijn nieuwe bundel, die ik U hoop te zenden, en zoo ik in de Beweging van Uw eigen hand een beoordeeling mocht lezen, zou mij dat veel genoegen doen.152

Titelblad van de bundel Getijden.

Brief door P.N. van Eyck op 14 november 1910
gericht aan Albert Verwey.

‘Ter herinnering aan Alex. Gutteling’, door P.N.
van Eyck, in De Beweging, december 1910, p. 233 en
234.

Kunt U reeds iets zeggen over de tijd van plaatsing van mijn vers?153 Ik hoop dat ik U niet te lang ophield en verblijf inmiddels, na bel.gr.
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr. 223