Den Weled.geb. Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan
Zee
Hooggeachte Heer,
Hopende, dat U het voor de Beweging zult kunnen gebruiken, zend ik U hierbij een groot gedicht ‘De Sterren’.164
Ik moet U nog dankzeggen voor Uw kritiek. Dat ik het al niet eerder deed, vindt zijn reden hierin, dat ik U dit gedicht reeds een maand eerder had willen zenden, maar daarin door omstandigheden verhinderd werd.165 Het heeft mij werkelijk buitenwoon blijgemaakt, dat Uw oordeel zoo mocht wezen, en wanneer er één ding is, dat ik hoop, dan is het, dat het zoo mocht blijven of nog gunstiger worden.
Met mijn studie over Poe heb ik nog niet kunnen beginnen. Wel maakte ik deze week een aanvang met de algeheele herlezing. Ik hoop nu goed op te schieten, hoewel mijn artikel over Nietzsche mij ook veel werk geeft.166
Ik bedenk daar, dat de gedachte van ‘De Sterren’ dezelfde is, als die van het eerste gedicht van Aart v.d. Leeuw in 't Februarinummer, - een heel gewone gedachte overigens.167 Maar het is toch geoorloofd op zulk een gedachte een geheel verhaal te bouwen, dat dan de hoofdzaak wordt?
Ik ben wel nieuwsgierig naar Uw beslissing. Inmiddels, na bel.gr. verblijf ik
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr. 223
's-Gravenhage
8 Febr. 1911

Omslag van De Beweging, februari
1911.

Aanhef van ‘Het oproer der dooden’, door P.N. van
Eyck, in De Beweging, februari 1911, p. 190.

Aanhef van ‘De Zwemmers’, door Aart van der Leeuw,
in De Beweging, februari 1911, p. 198.