terug  begin  verderprepost
[p. 119]

61.
Brief
.

Waarde Van Eyck,

Hierbij de gebroken Verleider.183 Als ik u was zou ik het vers tot mijn goede gedichten rekenen. Ik vind het gevoeld en duidelijk.

Vriendelijk groetend,
de uwe
A.V.

Nw/Z
13 Sept.r 11

Z.O. [= zie onder]

 

In mijn Dullaert184 zijn van vel M5 zes paginaas afgesneden; nochtans heeft pag. 194 onderaan het woord Des waarmee op de volgende blz. 201, de titel begint. Pag. 66 is gepagineerd 66 tot 70. Op blz. 122 volgt een titelblad en dan blz. 127.

Na blz. 160 komt dadelijk 163. Toch heeft 160 onderaan Zege van den titel Zegezang. Het Register vermeldt het gedicht van p. 127 op 125 en het op 131 beginnende niet. De verzen van p. 194 vermeldt het als staande op de (niet bestaande) pag. 200. Er zijn meer slordigheden in 't Register. 't Geheel een puzzle voor bibliofilen.-

[p. 120]



illustratie
Titelblad van de bundel De Sterren.

[p. 121]



illustratie
Titelblad van de tweede vermeerderde druk van de bundel De getooide doolhof, 1911.

183De Gebroken Verleider werd gepubliceerd in Groot Nederland 1912, I, pp. 720-721. Van Eyck had dit gedicht op 6 september 1911 naar zijn vriend P.C.A. Geyl gestuurd, met de mededeling dat Geyl in de sprekende figuur niet de dichter moest zien. Het werd in de bundel Uitzichten , Bussum 1912, opgenomen op de pp. 100-101.
Zoals uit de tekst wèl kan blijken, was een mislukte liefdesaffaire de aanleiding tot dit gedicht. Op 20 september 1911 besloot Van Eyck een brief hierover aan Geyl door te vermelden dat hij zich als Don Juan ‘kapot’ voelde.
184Dank zij Verwey werd het onverschillige stof van Dullaerts enige bundel poëzie geblazen. In 1898 publiceerde hij een studie over deze dichter in het Tweemaandelijksch Tijdschrift, in 1901 opgenomen in de toen verschenen Stille Toernooien op de pp. 175-188. Hij spelde diens voornaam als Heiman, zoals Greshoff in 1923 ook deed bij Enkele gedichten van H. Dullaert, een van de Keurbundels uit het Nederlandsche lierdicht onder zijn leiding bij Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande in Arnhem verschenen. H.A. Mulder volgde hem daarin, toen hij een bloemlezing samenstelde voor de Libellen-serie (no. 6) van de fa. Bosch en Keuning te Baarn z.j. Dr. P.C.A. van Putte corrigeerde deze naam in zijn proefschrift van 1978 in ‘Heimen’. De slordigheden door Verwey vermeld, komen voor in Dullaerts gedichten: 't Amsterdam, Bij Gerard onder de Linden, Boekverkooper op den hoek van de Nes en Langebrugsteeg, 1719. De ‘tekstverzorger’ was D. Hoogstraten die Heiman Dullaert spelde. Op deze uitgave wilde Van Eyck die van De Zilverdistel baseren.
Deze brief moet na 13 september 1911 geschreven zijn, zoals blijkt uit de eerste zin die een reactie is op Verweys waardering voor De gebroken Verleider in de brief van die datum. Hij is vóór 18 september 1911 te plaatsen, want dan bedankt de oudere dichter voor de toezending van Worstelingen, het grote gedicht dat Van Eyck tegelijk met deze brief verstuurt. Zie de 3e alinea.
prepostterug  begin  verder