Den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee
Hooggeachte Heer,
Hartelijk dank voor Uw oordeel over mijn gedicht. Ik zal mij aan Uw uitspraak houden.185 Ik zal het andere nogmaals Kloos aanbieden, zonder dat ‘gehavend’ veranderd te hebben.186 Niet omdat ik er prijs op stel, dat het in de N.G. komt, maar omdat ik Kloos toch gaarne wil zien erkennen, dat hij, wanneer hij erkent dat een gedicht goed is, het toch niet kan weigeren omdat ik naar aanleiding van één woord een principieel verschil van opvatting heb. Eveneens nog mijn dank voor Uw bericht over Dullaert. Wanneer U zich, bij al die vreemdheden, niet met een cijfer vergist heeft, dan ontdek ik nog een verschil tusschen Uw exempl. en de 2, die ik onder mij heb. U zegt: op blz. 122 volgt een titelblad en dan bladz.127. Het Register vermeldt het gedicht van 127 op 125. Dat gedicht begint bij mij inderdaad op pag. 125.187 Jacq. Bloem vertelde mij van een in Amersfoort wonende afstammeling van Dullaert, die een verzameling handschriften van den dichter schijnt te hebben.188 Wanneer mijn uitgave tot stand komt, zal ik mij daarvan eerst vergewissen. Misschien brengt dat nog op eenige wijze interessante ontdekkingen.
Hierbij zend ik U in dank Gundolf's boekje terug. Ik lees verbazend graag geschriften in die vlug-rhythmische, vurige stijl. Het trof mij, dat Gundolf met op 2 punten dezelfde woorden van Hölderlins goden spreekt, als ik zelf het over de Régniers Dryaden, Faunen, Centauren, enz. enz. Vindt U dat een bezwaar? Zou ik die woorden niet veranderen?189
Tegelijk zend ik U hier een ex. van Worstelingen. Het is in elk geval mooi gedrukt, echt Enschedé-werk, maar ik zou toch graag hebben, dat u het een goed werk vondt; juist omdat het zoo synthetisch voor mij zelf is, omdat het zoo heelemaal vol is van de dingen, die ik in der tijd doorleefd en doordacht heb, zou mij dat een buitengewoon genoegen doen. Het laatste gedicht ‘Terugblik’ achterin is nieuw.190 Kunt U overigens gelooven dat mijn nieuwe Doolhof 2½ × zoo groot is als de eerste?
Ik heb mijn bezoek aan U nog telkens in mijn gedachten. Uw portret heeft een eereplaats bij Stefan George. Ik ben U v.a. zeer dankbaar voor het inzicht dat U mij zoo duidelijk gaf in de overgangsperiode tusschen Uw eerste en tweede dichtertijdperk en in de beteekenis van het tweede zelf. Wilt U zoo vriendelijk zijn Mevrouw mijn beleefde groeten overtebrengen?
Inmiddels, verblijf ik, na bel.gr.
Met de meeste Hoogachting
Uw
dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr.223
Den Haag.