terug  begin  verderprepost
[p. 122]

62.
Brief
. [met potlood 1911].

Den Weled.geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee

Hooggeachte Heer,

Hartelijk dank voor Uw oordeel over mijn gedicht. Ik zal mij aan Uw uitspraak houden.185 Ik zal het andere nogmaals Kloos aanbieden, zonder dat ‘gehavend’ veranderd te hebben.186 Niet omdat ik er prijs op stel, dat het in de N.G. komt, maar omdat ik Kloos toch gaarne wil zien erkennen, dat hij, wanneer hij erkent dat een gedicht goed is, het toch niet kan weigeren omdat ik naar aanleiding van één woord een principieel verschil van opvatting heb. Eveneens nog mijn dank voor Uw bericht over Dullaert. Wanneer U zich, bij al die vreemdheden, niet met een cijfer vergist heeft, dan ontdek ik nog een verschil tusschen Uw exempl. en de 2, die ik onder mij heb. U zegt: op blz. 122 volgt een titelblad en dan bladz.127. Het Register vermeldt het gedicht van 127 op 125. Dat gedicht begint bij mij inderdaad op pag. 125.187 Jacq. Bloem vertelde mij van een in Amersfoort wonende afstammeling van Dullaert, die een verzameling handschriften van den dichter schijnt te hebben.188 Wanneer mijn uitgave tot stand komt, zal ik mij daarvan eerst vergewissen. Misschien brengt dat nog op eenige wijze interessante ontdekkingen.

Hierbij zend ik U in dank Gundolf's boekje terug. Ik lees verbazend graag geschriften in die vlug-rhythmische, vurige stijl. Het trof mij, dat Gundolf met op 2 punten dezelfde woorden van Hölderlins goden spreekt, als ik zelf het over de Régniers Dryaden, Faunen, Centauren, enz. enz. Vindt U dat een bezwaar? Zou ik die woorden niet veranderen?189

[p. 123]

Tegelijk zend ik U hier een ex. van Worstelingen. Het is in elk geval mooi gedrukt, echt Enschedé-werk, maar ik zou toch graag hebben, dat u het een goed werk vondt; juist omdat het zoo synthetisch voor mij zelf is, omdat het zoo heelemaal vol is van de dingen, die ik in der tijd doorleefd en doordacht heb, zou mij dat een buitengewoon genoegen doen. Het laatste gedicht ‘Terugblik’ achterin is nieuw.190 Kunt U overigens gelooven dat mijn nieuwe Doolhof 2½ × zoo groot is als de eerste?

Ik heb mijn bezoek aan U nog telkens in mijn gedachten. Uw portret heeft een eereplaats bij Stefan George. Ik ben U v.a. zeer dankbaar voor het inzicht dat U mij zoo duidelijk gaf in de overgangsperiode tusschen Uw eerste en tweede dichtertijdperk en in de beteekenis van het tweede zelf. Wilt U zoo vriendelijk zijn Mevrouw mijn beleefde groeten overtebrengen?

Inmiddels, verblijf ik, na bel.gr.
Met de meeste Hoogachting
Uw dw.
P.N. van Eyck

Columbusstr.223
Den Haag.

185De uitspraak nl. dat ‘het vers’ tot zijn ‘goede’ te rekenen valt - ‘als ik U was’.
186Vermoedelijk Een vrouw in De Nieuwe Gids van 1911, tweede deel; pp. 485-487, al komt ‘gehavend’ hierin niet [meer] voor. Uitzichten (1912); pp. 94-99.
187Het in de Kon. Bibliotheek aanwezige exemplaar (344 H.13.1) toont de problemen waarover Verwey schrijft. Overigens lijkt deze uitgave op die welke Van Eyck kende: de door hem aangeduide ‘goede’ voorlichting van het Register is daarin opgenomen. Wèl staan er volgens datzelfde Register gedichten op p. 200, welk nummer in de bundel niet voorkomt.
Behalve de lofdichten op Dullaerts poëzie - in een keurig handschrift - treft men er een ‘Uitbreiding over het Hooglied en Psalm XLV’ door Tielman van Bracht. Dit alles gevoegd bij de ongeregeldheden waarop Verwey stuitte, was dit illustratief voor de eigenaardige wijze van uitgeven en tekst verzorgen in de achttiende eeuw? En waarom? Was haast in 't geding wegens kapers op de kust? Of was ook D. Hoogstraten toch niet zo op Dullaerts werk gesteld, waardoor hij de uitgave als een bagatel behandelde? Raadselachtig!
188Wie dat geweest moet zijn, kon ook Dr. P.C.A. van Putte mij niet meedelen. Uit de correspondentie van J.C. Bloem met P.N. van Eyck is daaromtrent niets te halen. In een noot bij haar artikel over Heimen Dullaert in Oud-Holland XXXI (1913) heeft Dr. H.J.A. Ruys ook van in Amersfoort aanwezige documenten gewag gemaakt, zonder enige nadere informatie te (kunnen?) verstrekken.
189Uit de correspondentie blijkt niet, dat Verwey op de gestelde vragen antwoord heeft gegeven. Misschien is Van Eyck langs een andere, mogelijk indirecte wijze diens mening te weten gekomen. In elk geval komen in de bijdrage over Henri de Régnier naar aanleiding van Le Miroir des Heures in De Nieuwe gids XXVI (1911), 2; pp. 527-546 genoemde woorden niet voor. Het artikel is herdrukt in V.W. 3; pp. 319-340.
190Terugblik werd gepubliceerd in De Tijdspiegel van maart 1911, pp. 272-273. Het gedicht werd opgenomen in Uitzichten, Bussum 1912; pp. 17-19; V.W., 1; pp. 119-120. Ook werd het opgenomen in de bibliofiele uitgave van Worstelingen; zie noot 191.
prepostterug  begin  verder