Noordwijk a/Zee
18 Sept.r 11
Waarde Heer van Eyck,
Dank voor uw fraaie boek.191 Ik begrijp nu waarom het gedicht - dat zulk een voortreffelijken titel draagt - voor u zoo belangrijk is. Gelezen als een lyrische dialoog (die het moeilijk valt, b.v. veel moeielijker dan bij Hofmannsthal, in verband met mise-en-scène etc. als ruimte en beweging op te vatten)192, geeft het werkelijk de
worstelingen van uw gemoed en gedachten weer, en wat mij het meest erin aangrijpt - en laat ik, met dit te zeggen, tegen mijn gewoonte uit mijn estetisch kritische houding treden - dat is de hartstocht, d.w.z. de ernst van uw innerlijk wezen die zich m.i., in vroegere dergelijke gedichten van u, nooit zoo groot en zoo overtuigend heeft uitgesproken. Dit is het element dat, ook achter uw Getijden aanwezig, meer dan eenig ander vertrouwen wekt.
De terugblik aan het eind geeft een gelukkige en verzoenende afsluiting.
Waarom te bang te zijn voor overeenstemming met anderen? We zijn niet enkel onszelf, maar organen van een heel leven dat meerdere monden heeft. Laat het zich hier of daar op overeenkomstige wijs uitspreken - het is een teeken dat er in ons allen een verwantschap is, zooals, naar uw gevoel, de muziek aan de voorwerpen in een kamer geeft.
Het gedicht bij Dullaert begint inderdaad op pag. 125, maar - die bladzij is abusievelijk genummerd 127, zoodat dit nummer tweemaal voorkomt. Ik had dat niet opgemerkt.193
Ook als uw plan niet doorgaat, moet, dunkt mij, naar de papieren van dien Amersfoortschen heer geïnformeerd worden.194 Ik stel daar zeer veel belang in en hoop dat u mij op de hoogte houdt.
Groetend de uwe
Albert Verwey