terug  begin  verderprepost

65.
Brief
.

's-Gravenhage, Oct. '11.

Hooggeachte Heer,

Hierbij heb ik de eer, U een tweetal gedichten ter opname aan te bieden.197 Zij zijn beide, het tweede in 't bijzonder, nog al ‘hevig’ van sentiment en visie. Het is eigenlijk daarom juist, dat ik hoop, dat zij U zullen bevallen. Met verwachting zie ik Uw beslissing tegen.

Ik kan U niet zeggen, hoeveel genoegen mij Uw twee stukken in 't October- -nummer vooral de laatste pagina's gedaan hebben.198 Uw bezadigde, maar uiterst besliste afwijzing van Boutens' geöutreerde individualisme vond ik, niet alleen als protest, maar ook om haar positieve stellingen een genot om te lezen. Ik wilde U dit

[p. 126]

bepaald nog even zeggen, want het deed mij goed, dat die voorrede niet geheel onweerlegd zou blijven, nu zij in zooveel exemplaren verspreid wordt.

Inmiddels, na bel. gr., ook aan Mevrouw,

Hoogachtend,
Uw dw.
P.N. van Eyck

Columbusstr.223

197Deze waren: Verzoeking en De Val, overigens in omgekeerde volgorde geplaatst onder de nrs. V en I. Zie nr. 66. In de bundel Uitzichten stonden ze in deze volgorde als eerste en laatste gedicht van De kluizenaar in de woestijn, resp. op de pp. 111-113 en 123-128. De Beweging gaf eerst De Val en daarna De verzoeking; De Beweging VIII (1912), 2; resp. pp. 255-258 en 258-260.
198De ‘twee stukken’ waren kritische beschouwingen die Verwey in De Beweging placht te publiceren onder de algemene titel Boeken, Menschen en Stroomingen . In het oktobernummer van 1912 waren dat een bespreking van prof. G. Heymans' studie Psychologie der vrouwen op de pp. 79-90; en een beschouwing over De Profundis van Oscar Wilde in de vertaling van P.C. Boutens op de pp. 91-102.
Verwey vindt die vertaling ‘voortreffelijk’, maar oppert een drietal bedenkingen. Boutens heeft z.i. verzuimd het karakter van de oorspronkelijke brief in 't oog te houden. In de laatste maanden van zijn verblijf in het tuchthuis had Wilde een brief aan Alfred Douglas geschreven. Hij stuurde die brief naar zijn vriend Robert Ross. Deze publiceerde, na weglating van wat strikt voor Douglas bestemd was, het grotere gedeelte onder de titel De Profundis in 1905. De eenheid die Boutens miste, vond Verwey in een bij een brief passende minder strakke vorm als ‘een zekere eenheid van gedachte’.
Als de vertaler in zijn inleiding de auteur kwalificeert als een ‘geestelijk hulpbehoevende’ kan Verwey daarmee niet akkoord gaan.
De laatste bedenking is van principiële aard; de Tachtigers prezen destijds het individualisme, maar dertig jaar later krijgt het deelgenoot zijn van de mensheid volgens Verwey meer nadruk. Een zo absoluut gesteld individualisme als Boutens proclameert, klinkt bijna als een leuze, die de Beweger niet wenst te volgen. Even verderop sluit Van Eyck zich bij Verwey aan als hij het over ‘Boutens' geöutreerd individualisme’ heeft. Geöutreerd, want - zoals Verwey óók zei - elk individu behoudt natuurlijk zijn eigen recht en vervult een eigen functie in 't geheel.
prepostterug  begin  verder