terug  begin  verderprepost

67.
Brief
.

[potlood 1911]201

Aan den Weled.geb.Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee

Hooggeachte Heer,

Met heel veel genoegen las ik Uw oordeel over mijn gedichten. Wat die opeenvolging en het ontbreken van de mythische titel betreft: deze gedichten benevens een paar andere[n] zouden deel hebben uitgemaakt van een grooteren cyclus, waarin de cardinale strijd tusschen zinnelijkheid en geestelijkheid uitgewerkt zou

[p. 127]

worden in verzen door den Kluizenaar gesproken.202 Gedichten, die dus de opwellingen van verschillende dagen zouden bevatten. Zulke nu zijn de gezondene[n]. Het tweede reeds een van de eerste. Ten slotte gaf ik voorloopig het plan op, omdat meerdere gedichten slechts nuances zouden kunnen en moeten bevatten van altijd denzelfden, naar hetzelfde toedrijvenden, alleen in andere beelden vertoonden strijd. En dat leek mij aesthetisch niet te verdedigen, vooral niet, omdat een der hevigste uitingen één der eerste moest zijn en dit de volgende schade zou doen ..-

Zou het gevonden kunnen worden, door het eerste als tweede te laten drukken? Onder verschillende titels misschien? Ik heb natuurlijk aan de figuur v.Antonius gedacht. Zoo er één bezwaar is tegen dien titel, zou het alleen dit zijn: dat de legendarische Antonius niet bezweek, zooals deze Kluizenaar. Mij is dit allerminst een beletsel, om dat gedicht zijn naam te geven. Ik laat dit dus aan U over, - misschien vindt U 't wel een bezwaar. Maar deze titel aangenomen, kan de ander wellicht De Kluizenaar heeten? Ik hoop, dat de verdere Redactie niet tegen de plaatsing zal zijn.

Voorts dank ik U hartelijk voor Uw uitknipsel, waarvan ik gebruik hoop te maken. Dezer dagen ontvangt U ‘De sterren’. Op mijn verzoek zendt v. Dishoeck U een gebonden ex., dat veel mooier is dan het ongebonden.

Ik ben, niettegenstaande ik Uw brief reeds als kritiek heb, zeer benieuwd naar Uw oordeel in de Beweging.203

Gerretson vertelde mij, dat hij zoo graag een kritiek van U in de Beweging zou gehad hebben, maar dat hij die mogelijkheid op 't laatste oogenblik zelf had afgesneden, door op het pakje van zijn bundel ‘niet voor 't tijdschrift’ of zoo te plaatsen. Hij was n.l.plotseling bang, dat in zijn zenden van het boekje anders niet zuiver en alleen het bewijs van hoogachting zou liggen, maar ook nog de niet onbaatzuchtige aandrang, om er over te schrijven.204

Ik heb meermalen die eene regel van Gutteling in mijn hoofd gehad, met het gevolg dat ik voor mij zelf de beteekenis voor steeds en altijd, niet meer zien kan, er geen beteekenis meer in hoor en de innerlijke overtuiging kreeg, dat Uw opvatting de juiste

[p. 128]



illustratie
F.C. Gerretson, zojuist eerste luitenant geworden.

[p. 129]



illustratie
Titelblad van de bundel Experimenten, door G. Gossaert, 1911.

[p. 130]



illustratie
‘De Bader’, door Geerten Gossaert, zoals afgedrukt in de Zilverdisteluitgave van Experimenten, p. 48 en 49.

[p. 131]



illustratie

[p. 132]

is.205 Het is alleen jammer, dat niet iedereen op dat feit gewezen wordt. Zou het misschien niet goed zijn, wanneer U in een nootje bij uw kritiek de zaak aanteekendet?

U neemt mij niet kwalijk, dat ik den schijn op mij laat U een ‘raad’ te geven? Zoo is het niet bedoeld.

Inmiddels, na bel.gr. ook aan Mevr.

Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck

Columbusstr.223
Den Haag.

* Schrijft U misschien in 't kort, ook nog over mijn Doolhof, die, 2½ × vergroot, feitelijk een ander boek werd? Deze week las ik er een kritiek over, waarin de schrijver het boekje als laatste product nam, nà de voorin geannonceerde 3 boekjes en zonder te merken, dat Worstelingen in De Doolhof staat!206

201De datering ontbreekt. De brief is echter een reactie op nr. 66 en zal op grond van die datum - 26.X.1911 - in de laatste dage van oktober 1911 geschreven zijn.
202Dat was dan De Kluizenaar in de Woestijn waarvan in de vorige brief door een noot (197) gewag gemaakt werd. Het eerste en vijfde verscheen in Verweys tijdschrift. Het tweede en derde onder de gemeenschappelijke titel: Uit de Woestijn, werden opgenomen in Groot Nederland van 1912, I; pp. 723-726; het vierde stond in Onze Eeuw 1912, I; pp. 458-459. Het heeft daar een andere titel dan in Uitzichten, nl. Uit de Woestijn.
203Verweys oordeel is te vinden in De Beweging VIII (1912), 1; pp. 100-106. Het verschijnen van De Sterren en De Getooide Doolhof van 1911 is voor hem aanleiding om een wat bredere beschouwing te schrijven, omdat z.i. ‘een oordeel over zijn [P.N. van Eycks] ontwikkeling mogelijk is’. Hetzelfde artikel in Proza IV, Amsterdam 1921; pp. 54-62. De criticus waardeert met name Worstelingen, ‘deze hartstochtelijk uitgesproken onvoldaanheid’ en De Sterren, ‘als muziek en symbool - van Van Eycks wezen en zijn kunst de volledigste uitdrukking.’
204In hetzelfde nummer van De Beweging en in dezelfde rubriek schreef Verwey een beschouwing over Geerten Gossaerts Experimenten (pp. 93-99); in Proza IV op de pp. 46-53. Het betrof de Zilverdisteluitgave die Van Eyck verzorgd had, al worden bij deze derde publikatie van die uitgeverij nog de namen van Greshoff en Bloem vermeld.
205Waarschijnlijk is ‘die eene regel’ in een gesprek in Noordwijk ter sprake gekomen. Uit de correspondentie kon hij niet gedestilleerd worden.
206Zie noot 203.
prepostterug  begin  verder