[potlood 1911]201
Aan den Weled.geb.Heer Albert Verwey
Noordwijk aan
Zee
Hooggeachte Heer,
Met heel veel genoegen las ik Uw oordeel over mijn gedichten. Wat die opeenvolging en het ontbreken van de mythische titel betreft: deze gedichten benevens een paar andere[n] zouden deel hebben uitgemaakt van een grooteren cyclus, waarin de cardinale strijd tusschen zinnelijkheid en geestelijkheid uitgewerkt zou
worden in verzen door den Kluizenaar gesproken.202 Gedichten, die dus de opwellingen van verschillende dagen zouden bevatten. Zulke nu zijn de gezondene[n]. Het tweede reeds een van de eerste. Ten slotte gaf ik voorloopig het plan op, omdat meerdere gedichten slechts nuances zouden kunnen en moeten bevatten van altijd denzelfden, naar hetzelfde toedrijvenden, alleen in andere beelden vertoonden strijd. En dat leek mij aesthetisch niet te verdedigen, vooral niet, omdat een der hevigste uitingen één der eerste moest zijn en dit de volgende schade zou doen ..-
Zou het gevonden kunnen worden, door het eerste als tweede te laten drukken? Onder verschillende titels misschien? Ik heb natuurlijk aan de figuur v.Antonius gedacht. Zoo er één bezwaar is tegen dien titel, zou het alleen dit zijn: dat de legendarische Antonius niet bezweek, zooals deze Kluizenaar. Mij is dit allerminst een beletsel, om dat gedicht zijn naam te geven. Ik laat dit dus aan U over, - misschien vindt U 't wel een bezwaar. Maar deze titel aangenomen, kan de ander wellicht De Kluizenaar heeten? Ik hoop, dat de verdere Redactie niet tegen de plaatsing zal zijn.
Voorts dank ik U hartelijk voor Uw uitknipsel, waarvan ik gebruik hoop te maken. Dezer dagen ontvangt U ‘De sterren’. Op mijn verzoek zendt v. Dishoeck U een gebonden ex., dat veel mooier is dan het ongebonden.
Ik ben, niettegenstaande ik Uw brief reeds als kritiek heb, zeer benieuwd naar Uw oordeel in de Beweging.203
Gerretson vertelde mij, dat hij zoo graag een kritiek van U in de Beweging zou gehad hebben, maar dat hij die mogelijkheid op 't laatste oogenblik zelf had afgesneden, door op het pakje van zijn bundel ‘niet voor 't tijdschrift’ of zoo te plaatsen. Hij was n.l.plotseling bang, dat in zijn zenden van het boekje anders niet zuiver en alleen het bewijs van hoogachting zou liggen, maar ook nog de niet onbaatzuchtige aandrang, om er over te schrijven.204
Ik heb meermalen die eene regel van Gutteling in mijn hoofd gehad, met het gevolg dat ik voor mij zelf de beteekenis voor steeds en altijd, niet meer zien kan, er geen beteekenis meer in hoor en de innerlijke overtuiging kreeg, dat Uw opvatting de juiste

F.C. Gerretson, zojuist eerste luitenant
geworden.

Titelblad van de bundel Experimenten, door G. Gossaert, 1911.

‘De Bader’, door Geerten Gossaert, zoals afgedrukt
in de Zilverdisteluitgave van Experimenten, p.
48 en 49.

is.205 Het is alleen jammer, dat niet iedereen op dat feit gewezen wordt. Zou het misschien niet goed zijn, wanneer U in een nootje bij uw kritiek de zaak aanteekendet?
U neemt mij niet kwalijk, dat ik den schijn op mij laat U een ‘raad’ te geven? Zoo is het niet bedoeld.
Inmiddels, na bel.gr. ook aan Mevr.
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr.223
Den Haag.
* Schrijft U misschien in 't kort, ook nog over mijn Doolhof, die, 2½ × vergroot, feitelijk een ander boek werd? Deze week las ik er een kritiek over, waarin de schrijver het boekje als laatste product nam, nà de voorin geannonceerde 3 boekjes en zonder te merken, dat Worstelingen in De Doolhof staat!206