den Haag
[In potlood: van Verweys
hand] 8 Jan.i 12
Hooggeachte Heer,
Ik kan niet nalaten, U even hartelijk dank te zeggen, voor Uw mooie indringende beschouwing van mijn werk in de laatste aflevering van De Beweging.210 Het besef, dat slechts Uw beschouwingen het wezen van den schrijver willen naspeuren en bevatten, en dat ik van ongeveer alle anderen niets te verwachten heb, dan praatjes in de ruimte of over vorm en taal, dringt er mij toe, U daarbij te zeggen, dat mijn dankbaarheid zeer levendig is. Ik heb reeds allerlei kritieken gehad, in bijna alle bleven de schrijvers hangen op enkele eigenschappen van, of misschien slechts bestanddeelen in mijn taal. Des te beteekenisvoller voor mij, in uw stuk te mogen lezen: ‘Wat er op het uiterlijk van dit gedicht is aan te merken, het laat een straling na,’ enz.
Wat die eigenschappen mijner taal betreft, Uzelf heeft mij in Uw brief na ‘Het Oproer der Dooden’ de aandacht er het eerst op gevestigd.211 Ik ben er nu eerst in geslaagd, het wezen van Uw opmerking te beseffen. Dit is natuurlijk voldoende, om voortaan met de grootste behoedzaamheid mijn taal te beschouwen, te zuiveren en te ziften. Het beseffen is het voornaamste in zoo'n geval. Ondertusschen vind ik 't merkwaardig voor het begrip van poezie der meesten, dat zij over de kleinere eigenschappen niet kunnen heenkomen, naar de waardeering van andere.
Met bewondering heb ik Uw treffend-juiste beoordeeling van Gerretson gelezen, treffend voor wie hem meermalen uitgebreid over eigen (dichterlijk) wezen heeft hooren spreken.212 Het raadseltje in de laatste zin over Jan Prins - of was zij toevallig,

De eerste en tweede pagina van Albert Verwey's
zeven pagina's tellende bespreking van de bundel De
sterren, door P.N. van Eyck, in De Beweging, januari
1912, p. 100 e.v.

deze woordenkeus? - was mij zeer welkom om de mogelijkheid daardoor verwekt, van zijn ontwikkeling ononderbroken te kunnen blijven volgen.213
Mij zal men nu wel geen veelschrijverij meer verwijten in den eersten tijd: mijn studie neemt helaas zooveel tijd in. Wanneer ik in de lente mijn studeercel nog eens mag ontvluchten voor het huis op den schemel, zal ik zeer blij zijn. Inmiddels, na beleefde groeten, ook aan Mevr. verblij ik,
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck
Gerretson maakt zelfs aanmerking op de twee eerste regels: geen logisch verband, zegt hij. Is ‘tegenover de vriesnacht’ het ontwaken der lente niet, logisch ook, uitgebeeld door haar bloesemgeurige wind, die in haar ruischen ook de gloed in 't hart weer doet omhoogslaan? Of moet dat logisch verband tusschen de 2 regels uitdrukkelijk aangetoond?
Ook uitdrukkingen als ‘ontroeringen nimmer gevonden’ verwerven zijn bijval niet. Vinden is actief en bewust (!) zegt hij, en in tegenstelling dus met mijn bedoeling. Dunkt U dit geen overdreven en dus foutief uit elkaar pluizen? Op deze wijze wordt het geheele gedicht behandeld.