terug  begin  verderprepost

70.
Brief
.

's-Gravenhage 29 Jan. 1912.

 

Hooggeachte Heer,

Hierbij neem ik de vrijheid U een grooter gedicht ter keuring voornamelijk, en dan ter opname aan te bieden.214 In verband met Uw laatste kritiek over mij: Het is weer een allegorie. D.w.z. het was in het rijzen van de idee een allegorie en is voor mij onder 't schrijven niets dan een verhaal geweest. Dat ik er afzonderlijk over schrijf aan U, is ook alleen mijn vrees, dat de eerste 8 regels ongeveer, een tweede pagina te allegorisch zouden zijn. Ik kan ze veranderen, maar dan ben ik bang, dat de inhoud een beetje bekneld raakt. Er knoopt zich nog een gedachte aan vast: het is weer een gedicht van ‘zoeken’. Nu heb ik daarover al meerdere gedichten geschreven, omdat voor mij inderdaad ‘zoeken’ het eenig-denkbare doel, de eenige inhoud van het leven is, - op dit oogenblik. Ik dacht nu: herhaal ik mij dan niet. Ik overtuigde mij van 't tegendeel door de beschouwing van het feit, dat de gedachte d.w.z. mijn levensvondst, die er in tot uiting komt, door mij nog nergens gezegd werd. Ik bedoel de gedachte dat de

[p. 137]

mensch iets werkelijk waardevols alleen zou kúnnen vinden door zijn liefde, zijn hoop, zijn vreugde, zijn ontroeringen, maar dat deze ten slotte nooit anders dan zich zelf alleen vinden, en dat zich zelf vinden, sterven voor hen beteekent. Ook dit schrijf ik er apart bij, omdat ik buitengewoon graag door Uw oordeel te weten zou komen, hoe of het met deze twee dingen: het allegorische en haar grenzen en de herhaling van het ‘zoek-motief’ staat.215 Ik wend mij hierbij weder tot U als tot mijn beproefden raadgever, en ik hoop, U alvast hartelijk dankend, dat U mij hierin weder ter wille zult willen zijn. Vandaar ook, dat ik U het gedicht allereerst ter gewone keuring zond. Voor het geval uw oordeel ongunstig wordt, sluit ik maar een postzegel in. Hoewel het mij zeer zou spijten, want ik hecht persoonlijk veel aan dit gedicht, omdat het zoo uit het hart geschreven werd.

Ik zie dus met gepaste verwachting uw antwoord tegemoet en verblijf inmiddels, na bel.gr. ook aan Mevrouw, met de meeste Hoogachting,

Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstr.223
Den Haag.

 

P.S. Is het artikel van Frans Erens over Stefan George U niet erg tegengevallen?216

214De drie levenden en de drie dooden. De Beweging VIII (1912), 1; pp. 41-49. Uitzichten (1912); pp. 134-146.
De ‘meester’ in dit verhaal wint zich uit de ontmoedigende tocht en de dood van zijn drie dienaren een waarheid die hij niet formuleren wil om geen anderen te verderven. Het lijkt er op neer te komen, dat het leven een zinloze aangelegenheid is.
215Zie nr. 71, noot 218.
216In De Gids 1911; 4; pp. 399 vlg. publiceerde Frans Erens onder de titel Mijmeringen een bijdrage over Stefan George. Het artikel werd ook opgenomen in Erens' bundel Toppen en Hoogten, Roermond, z.j. [1922]. Hij volgt graag Tolstoï als criticus, want deze streefde naar objectiviteit en wilde veel zeggen in een zo beperkt mogelijke omvang. Daarbij belijdt Erens zijn geloof in de onwrikbaarheid van schoonheidswetten. De beschouwing betreft voornamelijk Georges Der siebente Ring, waarvan de gedichten door de criticus geprezen worden wegens de schoonheid, maar minder gewaardeerd wegens de kilte daarvan. Hij acht George groot, maar tiranniek of zeker hooghartig. Afbrekend is Erens niet, al wijst hij George een plaats ònder Goethe.
prepostterug  begin  verder