[Behalve intellect en gevoel was er nog een streving die zich in Van Eycks poëzie, met name in de vroege gedichten, krachtig liet gelden: de wil. Soms zo hevig dat er wel gesproken is van een ‘voluntaristisch dichterschap’. De ‘nog niet beantwoorde vraag’ is in dit verband voor hem - en voor zijn poëzie - van principiële betekenis.]
Aan den Weled.geb. Heer Albert Verwey
Noordwijk aan
Zee.
Hooggeachte Heer,
Mijn hart.dank voor Uw lange en spoedige brief. Niet alleen het resultaat van Uw lezing verheugt mij, maar ook en vooral Uw beschouwingen en de belangstelling, die uit Uw brief blijkt. Ik weet zeker, dat brieven als deze, die van een zoo zorgvuldig onderscheiden en indringen in de samenstelling van eens anders wezen getuigt, en die meer dan een openbare kritiek, de waarde heeft van een ernstig aanwijzer van richtingen en mogelijkheden, - zou [sic!] zij later gepubliceerd worden, mee zullen werken tot een ruime en breede waardeering Uwer persoonlijkheid. U begrijpt mij wel, dat ik hier mede geen vriendelijkheidje wil zeggen, maar ik ben U overwogen dankbaar, en ik heb er behoefte aan, U dat gevoel tot uiting te brengen. Ik werd nog een oogenblik angstig, toen ik in Uw brief gevaren zag aangeduid en ze overdacht. De ernst en de wil tot vertrouwen, zooals U dat bedoelt, heb ik. Maar kan ik mijzelf de beslissende richting geven, of doen de dingen buiten mij het, - werken deze toevallig of kan ik zelf ze beïnvloeden? Kan ik dus te gronde gaan tegen mijn wil en zonder dat ik, hoe dan ook, daartegen iets doen kan? Dat is voor mij de, nog niet beantwoorde vraag, - die mij bang maakt.
Mijn bel. groeten, ook aan Mevrouw,
Hoogachtend,
Uw dw.
P.N. van Eyck