Aan den Weled.geb. Heer A. Verwey
Noordwijk aan Zee
Hooggeachte Heer,
Deze maand zullen waarschijnlijk 4 tijdschriften verzen van mij bevatten, hetgeen ik niet heel plezierig vind.224 Ik wou alleen wel, dat dit op U geen verkeerden indruk maake, want het kwam toevallig en ik vind het zelf niet heel mooi als houding. Ik ben dan ook vast van plan, om, wanneer ik een vaste financiëele positie heb, mij wat verzen betreft, te beperken tot medewerking aan één tijdschrift, liefst De Beweging, en misschien een enkel maal per jaar een bijdrage in De Gids.
Dit najaar komt mijn bundel ‘Uitzichten’ bij van Dishoeck. 't Is 2 jaar arbeid en tezamen met De Sterren een stadium. Ik kon niet meer laten oploopen, en heb bovendien het gevoel, dat ik hier om innerlijke redenen aftesluiten heb. Nu wou ik dit derde werk aan iemand opdragen, en ik zou dit aan niemand zoo gaarne, en zoozeer als
bewijs van bewondering en erkentelijkheid doen, als aan U. Ik weet evenwel niet, hoe U over opdrachten denkt. Het is voor mij geen bloote formaliteit, maar een daad. Mocht U den bundel eerst gaarne doorzien, dan zal ik hem met genoegen brengen of zenden. Zou ik Uw meening hieromtrent mogen hooren? De Sterren is een gedicht geweest als vele andere in mijn bundels. Maar boven mijn derde verzamelboek zou ik zoo heel gaarne Uw naam zien.225 Maar ik kan er bij U natuurlijk op rekenen, dat U alleen Uw werkelijk gevoel zegt, zonder consideraties voor mijn ijdelheid enz. Inmiddels verblijf ik, met bel.gr. ook aan Mevrouw,
Hoogachtend
Uw dw.
P.N. van Eyck