[De volgende brief sluit direct aan bij de vorige: Van Eyck stuurt zijn eerste kritische bijdrage. Hij zet daarin uiteen wat zijn opvattingen over poëzie zijn en welke uitgangspunten zijn kritische werkzaamheid zullen bepalen. De brief moet dus tussen 22 maart en 6 april 1912 geschreven zijn.]
In potlood: 1912
Den Weled. geb.Heer, den Heer Albert Verwey
Noordwijk aan Zee
Hooggeachte Heer,
Hierbij zend ik U een artikeltje ‘Over Poëzie’. Wilt U dat hebben? U hebt zelf al meermalen in de loop van 7 jaren ‘over Poëzie’ geschreven maar ik dacht, dat U het toch, wanneer het ten minste goed is, wel zoudt willen nemen, omdat après tout, sommige dingen altijd nog wel eens gezegd mogen worden, het altijd ‘anregend’ is met bewondering over iets te hooren spreken, en tenslotte omdat het niet onlogisch is, dat ik een misschien uitgebreide prozamedewerking aanvang met een algemeen opstel over datgene, wat wel vaak onderwerp van bespreking zal zijn.230
Het is misschien wel niet erg fraai overgeschreven, maar ik vind overschrijven van proza nog verschrikkelijker dan dat van verzen.
Het titelblad van het eerste kwartaal van De Beweging is veel kleiner dan de aflevering - heeft dit een reden? Het is jammer, vvant het zal niet erg fraai staan.
Tenzeerste hopend dat mijn artikel U zal kunnen bekoren, verblijf ik inmiddels met bel. groeten ook aan Mevrouw
Hoogachtend,
Uw dw.
P.N. van Eyck
Columbusstraat 223
Den Haag.