terug  begin  verderprepost

80.
Brief
.

Noordwijk a/Zee
6 April 12

Waarde Van Eyck,

Zoo juist heb ik mijn dichterlijk werk tot een voorloopige rust gebracht.231 Je brief van den 22sten Maart ligt nog naast me. Ik herlees hem met instemming. Er is maar één punt in, waarop ik moet antwoorden: de vorm van je medewerking. Ik had willen zeggen: eenmaal gegeven dat een zekere ruimte tot je beschikking is, zul je merken dat die vorm gedeeeltelijk bepaald zal worden door onze afspraak (waarover later), maar voor het grootste deel door de wijze waarop ons beider ideeën elkaar zullen moeten ondersteunen. Het zal je wel niet verbazen dat de samenwerking in De Beweging in de hoogste mate levend is. D.w.z. voor een gering deel overgelaten aan 't toeval, voor een grooter aan overleg en afspraak, voor het allergrootste een gevolg van persoonlijke en intelligente verstandhouding.

Mijn schrijven daarover voorkom je, zeer tot mijn voldoening door de inzending van je opstel.232 Dat het ‘niet onlogisch’ is, juist met dit opstel te beginnen, is precies mijn bedoeling. Het geeft omtrent een essentieel onderwerp - tusschen ons het essentieele - je gedachten zóó ampel, dat ieder erin zal kunnen nagaan waar die met de mijne samenvallen, en waar ze ervan onderscheiden zijn, of tenminste je eigenheid markeeren. Op dit laatste komt het aan. Je zult ondervinden dat ik niet alleen ieder die wat te zeggen heeft zijn vrijheid laat, maar dat ik sta op het gebruik van die vrijheid, dat ik het ieders plicht vind die aantekweeken.

Je stuk is uitmuntend. Ik zal het allereerst doen zetten voor het Mei-nr, en ten tweede aanleiding erin vinden om ons beider werkzaamheid in De Beweging aftegrenzen en te doen harmonieeren.

[p. 147]

Binnenkort kom ik in den Haag en dan hoop ik dat we mondeling hierop kunnen terugkomen.

Het titelblad van de I is verleden maand door een fout van den nieuwen drukker opnieuw gezet moeten worden en toen klaarblijkelijk buiten verband met het Nr. afgesneden.233 Ik heb nog een onbesnoeide proef die je misschien genoegen doet.

Gisteravond las ik Kloos' lof van Van Zanten.234 Voor ieder die verzen schatten kan, een averechtsche. Ik bezit die vertaling, die Gutteling niet lezen wou - zijn tijd was te kort voor de lektuur van het middelmatige - maar waaruit ik wel eens een aanhaling meebracht om hem optevrolijken. Zou een ernstige bespreking van G's Milton niet een goed werk zijn voor Gerritson?235 In hoeverre van Zanten, nevens persoonlijk onvermogen, de deugd van zijn tijd heeft, zou dan meteen kunnen worden toegelicht.

Hartelijke groeten en gelukkige Paschen.
Je A.V.

231De twaalfde zang van Miltons Het Paradijs verloren was zo juist gepubliceerd in De Beweging van april 1912 (pp. 14-31). Verwey had daarmee een werk voltooid dat aangevangen was door de betreurde Alex Gutteling, wiens vroege dood de voortzetting daarvan verhinderd had. Uit genegenheid en eerbied voor zijn toegewijde discipel besloot de redacteur van De Beweging het karwei af te maken.
232Over poëzie. Zie: nr. 79.
233Zie nr. 79, voorlaatste alinea.
234In het aprilnummer van De Nieuwe Gids 1912; pp. 684-691, schreef Kloos een kritiek op de vertaling die Alex Gutteling van Miltons Paradise Lost had gemaakt. Deze was in 1911 verschenen in de ‘Bibliotheek voor goede en goedkoope lectuur’ te Amsterdam. De criticus vond dat de vertaler een preciese weergave van ‘het verstandelijk-bepaalbare’ had gegeven, maar van de schoonheid die Milton bereikt had, was weinig, eigenlijk niets over. Dan was ‘een oud-Hollandsche vertaling’ door Jacob van Zanten vervaardigd en in 1728 te Haarlem gepubliceerd, te prefereren. Deze verdiende ‘den eerenaam van een monument der Hollandsche verskunst’, vond Kloos. In 1909 publiceerde hij Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid waaruit kan blijken, dat hij zich een tijdlang geconcentreerd had op de 18de-eeuwse poëzie.
235Verwey spelde een tijd lang Gerretsons naam aldus. Van een dergelijke bespreking is niets gekomen.
prepostterug  begin  verder