terug  begin  verderprepost

85.
Brief
.

[In potlood: (1912)]251

Hooggeachte Heer,

Hierbij gaat mijn artikel over Boutens Carmina. Ik plaatste het onder den algemeenen titel, omdat het toch feitelijk meer wil zijn dan een boekbeoordeeling alleen en vooral toch ook een studie is van ‘den geest’, waarover de titel spreekt. Maar

[p. 152]

als U 't beter onder Boekbeoordeeling op zijn plaats acht, heb ik natuurlijk geen bezwaar.

Ik heb Uw raad gevolgd en mij uitsluitend aan mijn indrukken van en gedachten over Carmina gehouden. Alleen wanneer dit ter verklaring noodig was, heb ik even teruggezien. Het stuk geeft nu, en, naar ik geloof, voldoende gedocumenteerd, mijn overtuiging omtrent den tegenwoordigen Boutens weer en ik heb gemeend mij in 't duidelijk en onomwonden uitspreken dier overtuiging door geen enkele consideratie te laten weerhouden. Ongetwijfeld staat een dergelijk artikel over een dergelijk dichter van een dergelijke hand aan velerlei verdachtmaking bloot. Maar ik vond het noodzakelijk, dat eens met overleg de positie van Boutens beschouwd werd. Ik hoop, dat mijn stuk U bevallen zal. Zoolang ik in de eigenlijke literatuur ben is het mijn eerste over een Hollandsch dichter.252

Ik ben woest geweest op den drukker. Mijn handschrift is niet erg prettig voor een zetter, ik weet het, maar men kon dan ervaren zetters gebruiken. In mijn proef van Verhaeren, 16 pag. vond ik-ik telde ze - 625 fouten, wat ik toch wel wat bar vind, 25 andere lettersoorten b.v., verscheiden maal woorden, regels vergeten. Ik was wanhopig, want behalve dit en David heb ik àl de proeven van mijn bundel en bovendien die van Jaap de Stoppelaars bundeltje. Jaap is naar Indië, nu.-253

Ik heb met groote bewondering Uw gedicht ‘De Voetwassching’ gelezen.254 Ik hoop nu, dat die 2 andere gedichten, die U mij voorlaast, spoedig door mij herlezen kunnen worden: het lange gedicht en dat op Novalis: of geeft U ze niet uit in De Beweging?255 Ik heb Aart v.d. Leeuws laatste gedichten bijna alle bijzonder mooi gevonden en ik heb, zooals U lezen zult, niet kunnen nalaten, daar aan 't eind van mijn stuk over te getuigen.256 Ik zie absoluut niet om welke kwaliteit een goed gedicht van Boutens van tegenwoordig voortreffelijk zou zijn boven de twee laatste van v.d. Leeuw. Toch vindt de Meester bv. de eerste prachtig, in de laatste ‘veel aantrekkelijks’.257

[p. 153]

Vindt U niet, dat ik mij, met mijn studie, eigenlijk nog aardig weer in de literatuur. 't Zal nu wel voorloopig uit zijn, ofschoon ik een bepaalde middag vrij houd en het dus kan zijn, dat mijn gedachten voor één van die komende middagen voldoende gerijpt zijn voor een artikel. Ik peins op ‘Nietzsche en Dostojewski’, Villiers en mijn oude belofte aan de Beweging Edgar Poe.

Inmiddels mijn hartelijkste groeten, ook aan Mevrouw,

Met de meeste Hoogachting,
Uw P.N. van Eyck.

Columbusstr.223, Den Haag

 

P.S. Neemt U mij alstublieft, de op de voorgaande pagina voorkomende verbeteringen niet kwalijk. Er stond 4 maal het woord ‘meenen’ en ik heb geen tijd, den heelen brief over te schrijven.

251Deze brief moet geschreven zijn vóór 7 augustus 1912, toen Verwey reageerde. De Noordwijkse dichter was acht dagen ziek geweest en kon daardoor pas op de zevende terugschrijven. Van Eyck zal dus ongeveer 28 juli 1912 dit epistel verstuurd hebben.
252Het artikel verwekte nogal wat opschudding. Van Eycks nog jonge vriendschap met A. Roland Holst dreigde stuk te gaan. In elk geval was het voor deze dichter een doorslaggevende reden om zijn naam boven een hem opgedragen vers - Vóór de Reis - te laten schrappen. Zie nr. 51, noot 159.
253Van Eycks handschrift was abominabel. Zelfs als men er gedurende jaren mee heeft omgegaan, blijven er altijd nog puzzels over. Vermoedelijk werden zetters nu en dan zó wanhopig, dat ze niet meer voldoende concentratie konden opbrengen om serieus te werken. Zo zullen die talrijke fouten te verklaren zijn.
Het ‘bundeltje’ van De Stoppelaar was De Parelduiker . Het verscheen te Apeldoorn in 1913. Het werd besproken door Van Eyck in De Beweging IX (1913), 2; pp. 83-90. Ook V.W. 3; pp. 445-451.
254De Voetwassching in De Beweging VIII (1912), 3; pp. 30-32. O.D., I; pp. 795-797.
255Het ‘lange’ gedicht zal Vita Aeterna geweest zijn. Met Novalis is het te vinden in O.D., I; pp. 779-792; en p. 769.
256Van der Leeuws ‘laatste gedichten’ verwijst naar De Beweging VIII (1912), 1; pp. 60-64.: Ballade in zon gezongen; verder: Orpheus' geheim; Een Doode. Alleen Een Doode werd met wijzigingen en onder een andere titel - Op een gestorven hovenier - toegelaten tot de Verzamelde gedichten, Rotterdam enz. z.j.; pp. 171-172. Zie ook het slot van Van Eycks beschouwing van Carmina, in V.W.3; pp. 427-428.
257J. de Meester, Iets over de literatuur onzer dagen. Een Nuts lezing ; Bussum 1907. Reactie van Verwey, De Beweging III [1907], 4; pp. 240-241.
prepostterug  begin  verder