terug  begin  verderprepost
[p. 16]

L 1

kaartje

 

Voorburg 7 November 1917

 

Geachte Heer vEyck

Hartelijk dank voor Uw geschenk.

Bij het doorbladeren van den bundel ontmoette ik reeds vele bekenden, die mij lief zijn.

Ik zal het boekje dikwijls ter hand nemen.

Met beleefde groeten Uw

 

AartvanderLeeuw.

 

In maart 1918 wordt Van Eycks tweede zoon Aldo Ernest geboren. In mei verschijnt zijn enige prozabundel Opgang. Niet lang hierna ziet hij zich genoodzaakt een betrekking te zoeken. Hij krijgt een aanstelling als sous-chef van de afdeling Volksvoeding van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, maar woont aanvankelijk nog in Driebergen. Daar kent hij de Duitse dichteres Hilde Telschow, die ook met Van der Leeuw bekend is. Zoals uit korrespondentie blijkt heeft zij in juli Van der Leeuw tijdens een bezoek met Van Eyck in kennis gebracht20. Omstreeks 1 september 1918 verhuizen de Van Eycks naar Den Haag. Met genoemde betrekking treedt bij de voordien zo vruchtbare schrijver een lange periode in van vrijwel volslagen literaire improduktiviteit. Op 15 september 1919 vraagt hij ontslag, dat hem per 15 oktober wordt verleend. Daarna vertrekt Van Eyck naar Londen als korrespondent van de N.R.C. In het kader van deze funktie ontstaat de serie artikelen over De Iersche kwestie. Van Eyck volgt in deze funktie, die hij zal vervullen tot aan zijn benoeming tot hoogleraar

[p. 17]

te Leiden in 1935, zijn vriend P. Geyl op, nadat deze is benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse en Zuidafrikaanse geschiedenis aan de Universiteit te Londen. Reeds eerder (1914-1915) is Van Eyck korrespondent van dezelfde krant te Rome geweest.

Gedurende de jaren 1918-1920 schrijft Van der Leeuw de rest van de gedichten van Opvluchten. Het voornaamste prozawerk uit deze periode is De mythe van een jeugd, dat in november 1921 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum verschijnt en voordien verschenen is in De Gids, april-juni 1921. In 1921 schrijft hij verder weinig.

20Hilde Telschow (1885-1966) had gedurende de tweede helft van 1916 of 1917 via Albert Verwey, in wiens huis zij een geregelde gast was, Van Eyck leren kennen in Driebergen en daarna Van der Leeuw, die in Voorburg woonde. In juli 1918 heeft zij Van Eyck, die inmiddels zijn betrekking aan het Departement van Landbouw had aanvaard, maar nog in Driebergen woonde, waar hij de weekends doorbracht, en Van der Leeuw met elkaar in kontakt gebracht. Vermoedelijk op verzoek van Verwey. Deze schrijft aan Hilde Telschow op 26 juli 1918: ‘Daarentegen heb je een goed werk gedaan door hem [= Van Eyck] en Van der Leeuw met elkaar in kontakt te brengen. Als Van Eyck schilderde zou hij de hartstochtelijke maker zijn van weidsche, vaak allegorische dekoraties. Van der Leeuw zou, in hetzelfde geval, de maker zijn van kleine symbolisch bevolkte landschappen. Dergelijke stille vergelijkingen boeien me, maar het zièn van de twee menschen tegenover elkaar zou me misschien nog meer geboeid hebben. Je schrijft niet of v.d.L. ook Nine [van der Schaaf] heeft opgezocht. Ook die twee had ik graag saam gezien’. Deze brief maakt deel uit van het Verwey-archief, dat zich bevindt in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Mevr. Dr. M. Nijland-Verwey ben ik dank verschuldigd voor het verstrekken van de gegevens over Hilde Telschow. Zie voor meer bijzonderheden over haar: Maurits Uyldert, Naar de voltooiing . Uit het leven van Albert Verwey, deel 3, Amsterdam, 1959, p. 39-40; Wolfskehl und Verwey. Die Dokumente ihrer Freundschaft 1897-1946. Herausgegeben von Mea Nijland-Verwey. Heidelberg, 1968, p. 144, noot 1. Zie ook de noten 29 en 46.
prepostterug  begin  verder