terug  begin  verderprepost

L 2

Voorburg 5 Februari 1922

 

Waarde vanEyck

Wat heb je me met je brief een plezier gedaan. Het was een echte opbeuring, hoor. Je raakt op zoo'n werk zoo vreeselijk doodgekeken op het laatst, je weet heelemaal zelf niet meer, hoe het eigenlijk is.26 En toen kwam Jacques Bloem, in wiens oordeel ik altijd veel vertrouwen heb, maar vinnige afkeuring.27 Dat ontmoedigde, maar ik begrijp nu, vooral omdat iemand als jij van het boek heeft kunnen genieten, dat Jacques' tegenzin, meer dit soort behandeling van de liefde (hem niet instinctmatig genoeg) gold, dan het eigenlijke werk. Wat jij me van de Mythe zegt, zal me zeker wel het liefste blijven van wat ik erover te hooren zal krijgen, ook daarom, omdat een hartelijk woord van een makker uit den tijd van de Bewe[gi]ng zooveel meer waard is, dan wàt ook van elk ander. Ik vind het altijd nog erg dat onze groep uiteen is gevallen, en in welk tijdschrift ik ook inzend, de voldoening die ik had, van onder het roode omslag gedrukt te staan, vind ik nergens.

[p. 19]

Intusschen ben ik het laatste jaar meer in jou nabijheid geweest, dan jij in de mijne. Immers tegenwoordig lees ik de Rotterdammer, en het liefste daaruit je correspondenties. Ook je boek over de Iersche kwestie28 vond ik mooi. Dat is allemaal toch ook vol liefde. Die mis je zeker niet. Het is dunkt me meer de moeielijkheid om de juiste harmonie tusschen verschillende karaktertrekken te vinden, dat het eene niet overweegt ten koste van het andere. Zoo zucht ik ook dikwijls onder mijn overbewustheid, en zou wel iets van de matelooze blindheid van een Dostojewski willen bezitten, hoe sterk aan de andere kant toch weer zijn zieleontucht mij tegenstaat. Maar werken en hopen, er valt zoo dikwijls iets in je schoot wat je niet verwacht had en dat toch niet onverdiend is.

Naar het me voorkomt is de afstand tusschen je tegenwoordige werk en literaire arbeid niet zóó groot. Op een gegeven oogenblik zal je de stap wel wagen, en hoeveel zal je dan gewonnen hebben, door dit tijden lang meeleven met een geheel volk.

Ik heb moeielijke maanden achter den rug. Mijn vrouw is van October af al ziek. Ze wordt in Den Haag bij een vriendin opgepast, maar gelukkig betert ze nu en komt deze maand weer thuis. Ik hoorde van Hilde ook lang niets. Ze is voornamelijk naar Italië gegaan omdat verleden winter na een griepaa[n]val haar longen nogal hadden geleden. Ik heb alles betreffende de Kinderland-vertaling29 maar aan haar overgelaten. Ik geloof niet dat de Insel30 op het oogenblik erg veel zin in uitgeven heeft, en nu de Mark zoo laag staat heb ik ook geen lust mij er veel moeite voor te geven.

Met Palladium heb ik wel de uitgave van mijn verzen afgesproken, maar er zit bijster weinig gang in.31

[p. 20]

Gaat het goed met jou en je vrouw? Wat hebben we elkaar toch maar weinig gezien, maar mijn gehoor was wel een beletsel. Nu ik een goede horen heb, zou het wel beter gaan.

Als je zin hebt, schrijf je dan nogeens?

Mijn hartelijke groeten ook aan je vrouw.

 

je

AartvdL

 

In poëtisch opzicht zijn de jaren 1918-1924 voor Van Eyck nagenoeg volkomen onvruchtbaar. De kleine bundel Inkeer, die in 1922 verschijnt, bevat, op drie na, reeds in 1917 en 1918 gepubliceerde verzen. Begin 1923 verschijnt de door hem verzorgde bloemlezing-met-inleiding Uren met Platoon. ‘Reeds tijdens het schrijven ervan had hij plannen gemaakt voor een reeks studies over de Nederlandse literatuur vanaf 1880. Sterk voelde hij echter het gemis van een tijdschrift waarvoor hij werken kon, sinds De Beweging, waarvan hij vast medewerker en vurig aanhanger was geweest, aan het eind van 1919 was opgehouden te verschijnen. Het is dan ook te begrijpen, dat Van Eyck, toen A. Roland Holst, redacteur van poëzie van De Gids, hem in de zomer van 1923 polste of hij ervoor zou voelen als criticus voor poëzie van dit tijdschrift op te treden, daarop inging en de desbetreffende uitnodiging van de redactie aannam. Hij begon zijn medewerking met een tevens als literair credo bedoeld artikel over Verwey in De Gids van januari 1924’.31a In dit jaar ontstaat ook vrijwel de hele inhoud van de dichtbundel Voorbereiding.

Albert Verwey wordt benoemd tot hoogleraar te Leiden. Hij aanvaardt zijn ambt met een rede Van Jacques Perk tot nu op 14 januari 1925. Op de avond van deze dag vindt er in Den Haag een feestmaal plaats, waar Van Eyck als eerste het woord voert met een Rede over Albert Verwey. Aan die maaltijd ontbreekt Van der Leeuw, maar wel ontmoet Van Eyck er diens vrouw, die hem een brief van haar man in het vooruitzicht stelt.

Naast weinig proza schrijft Van der Leeuw in de jaren 1922-1923 vrij veel poëzie: ongeveer de helft van de gedichten die de inhoud vormen van Het aardsche paradijs. Nadat in oktober 1923 zijn dichterlijke produktie tot stilstand is gekomen, schrijft hij winter 1924 de korte verhalen die als Vluchtige begroetingen verschijnen. De rest van dit jaar is Van der Leeuw ziek en ongeschikt voor letterkundige arbeid, maar in mei 1925 kan hij Van Eyck berichten, dat hij weer met gedichten is begonnen.

26Enkele jaren later, in 1925, heeft Van der Leeuw een duidelijker mening over zijn boek: ‘Het zwakste van mijn boeken lijkt me de Mythe van een Jeugd. Vorm en inhoud hebben zich daar veelal niet gevonden’. In: G.H. 's-Gravesande, Sprekende schrijvers, Amsterdam, 1935, p. 11.
27Een bespreking door Bloem van De mythe van een jeugd heb ik in dagblad noch tijdschrift aangetroffen. Bloem, die regelmatig bij Van der Leeuw kwam, heeft kennelijk tijdens een van zijn bezoeken zijn afkeuring laten blijken. In het algemeen kon de kritiek maar weinig waardering opbrengen voor het werk. Ook Verwey stond er afwijzend tegenover. Zie Hulsker, p. 187-190.
28 De Iersche kwestie verscheen in vier afleveringen in Onze Eeuw, 1921. In datzelfde jaar zag de artikelenreeks ook het licht als overdruk-uitgave Onze Eeuw no. 3, De Erven F. Bohn, Haarlem, 1921. Van Eyck behandelde hierin de Ierse onafhankelijkheidsstrijd en koos partij voor de nationalisten.
29Reeds spoedig na haar kennismaking met Verwey is Hilde Telschow begonnen in De Beweging verschenen opstellen van hem in het Duits te vertalen. Dit resulteerde na vier jaar in: Albert Verwey, Europaïsche Aufsätze. Aus dem Holländischen übertragen von Hilde Telschow. Leipzig, 1919. (Uit: Proza, Stille toernooien en Luide toernooien . Met elders niet gedrukte voorrede van Albert Verwey). Verwey vertaalde van haar een aantal gedichten, die hij opnam in De Beweging, 12(1916) en 13(1917). In juli 1917 nam hij daarin ook op zijn vertaling van haar Brieven van Rahel Warnhagen (zie: M. Hanot, De beginselen van Albert Verweys literaire kritiek, Gent, 1957, p. 124, waar abusievelijk vermeld staat, dat de Brieven niet gepubliceerd zijn. Behalve met werk van Nine van der Schaaf, Arthur van Schendel en P.C. Boutens heeft Hilde Telschow zich ook beziggehouden met dat van Van der Leeuw, met het oog op eventuele vertaling. Noch van Kinderland, noch van Sint-Veit en andere vertellingen en evenmin van De mythe van een jeugd heeft zij echter de vertaling voltooid.
30Insel-Verlag, gevestigd te Leipzig.
31De uiteindelijke beslissing hierover is negatief uitgevallen. Bloem, die vóór opnemen was, stapte om deze kwestie uit de redaktie. In dit licht gezien is het op z'n minst verbazingwekkend, dat Van der Leeuw enkele jaren later, op 27 augustus 1925, aan Van Eyck zou schrijven, dat Bloem geen konsekwenties uit zijn vriendschap trok. Wat Van der Leeuws derde bundel, Opvluchten, betreft: deze is in 1922 bij C.A. Mees te Santpoort verschenen.
31aZie Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 11. De heer A.P. Verburg dank ik voor het verstrekken van de gegevens, waaruit de inleidingen op de brieven L1, E1 en L3 konden worden samengesteld. Bovendien heeft hij een aantal annotaties van een aanvulling voorzien.
prepostterug  begin  verder