terug  begin  verderprepost
[p. 21]

L 3

Voorburg 17 Maart 1925

 

Beste vanEyck

Alweer lang hebben we niets van elkander gehoord, al sinds je brief over mijn Mythe niet. Ik loop al een tijd rond met een groote lust om je te schrijven, maar me vervelend voelen kwam dan weer tusschenbei. Door mijn eenzelvigheid, gecombineerd met mijn doofheid, spreek ik maar weinig menschen, en ook in mijn werk voel ik me alleen. Zonder hartstocht harmonie en geluk te bezingen, is een wonderlijke bezigheid in dezen tijd.32 Maar mijn opgaaf is nu eenmaal niet anders, Je begrijpt dus wel, dat het heel wat voor me te beteekenen heeft, wanneer ik een bezoek krijg, al is het dan geen persoonlijk, maar een dat in letters gedrukt staat, dat me rijkdom geeft en vreugde.

Platoon's Phaidros en het Drinkgelag zijn voor mij altijd het schoonste geweest van de wereldlitteratuur. Ze ontroeren mij dieper dan het Nieuwe Testament. Ook andere boeken las ik van hem: de Staat, Phaidoon, Theaitetos, Ion[,]+33 Lysis, Charmides, maar de Philebos en Timaios bv. niet. Ook was er altijd heel wat in het gelezene dat ik niet begreep. Wat heb je me een helder licht gegeven in je Uren met Platoon.34 Je hebt volkomen zijn geheim gevonden en het op eenvoudige wijze blootg[e]legd. Een vereerde heb je nog veel beminnenswaardiger voor me gemaakt. Maar dit niet alleen. Waarom ik in gedachten dikwijls met je bezig ben, komt vooral ook door wat je gezegd hebt over Verwey.35

[p. 22]

Die schok, dien je bij het lezen van ‘Den Weg van het Licht’ gehad hebt, heb ik juist zoo gevoeld. Voor mij bestaat er ook verder geen twijfel meer over Verwey's koningschap in onze letteren. Wat weegt het werk van Boutens bij zoon bundel? Heeft hij ooit iets gemaakt als de Bevrijding,36 of regels als:

 
‘Ik genoot den dag
 
Of leed hem, maar het lijden kende ik eerst
 
Als het voorbij was, zooals grieksche helden
 
Goden kenden aan hun nek, in 't gaan’.37

en dan de ‘kwartieren van het stille uur’,38 ach eigenlijk alles, zonder éen bedenking, heel die heerlijke samenspraak met zijn god. Ja Leopold, misschien is die als dichter volkomener, maar dak en zoldering van zijn huis zijn bespannen strak met kommer druk en droefenis.38a Oneindig meer licht brengt Verwey, hij geeft een veel grooter geschenk, ook voor de toekomst. Verwey is altijd mijn liefste dichter geweest, ook vroeger, maar er waren toch nog weleens dingen die me hinderden in zijn verzen. In zijn ‘Weg’ geen sprake daarvan. Ik geloof dat van de latere Bewegers, jij en ik altijd de meeste bewon[d]ering voor Verwey hebben gehad. Jacques Bloem bv. nam, toen hij een paar jaar geleden bij me was, zijn bundel, die ik naast Verwey's Zichtbaar Geheim39 gezet had, uit mijn boekenkast en zette hem op een andere plaats. En er waren er wel meeer zoo geloof ik.

Absoluut ben ik het met je eens dat de traditie van de poëzie van Ve[rw]ey uit moet worden voortgezet. Dit [is] het licht dat over de chaos moet zweven, waarin we nu verzonken zijn.

Jij hebt het geluk dat je je verwachtingen verkondigen kunt. Voor mij is dat niet mogelijk, omdat ik alle critische gaven mis.

Wat heeft het me gespeten, dat ik niet op het feest heb kunnen zijn, om mij waarlijk te voelen, of ik bij Agathon te gast was, en daar Sokrates en Alkibiades ontmoette. Maar het ging niet. Al sinds een jaar lijd ik aan slapeloosheid, wat me ook overdag incapabel maakt. Gedurende dien tijd schreef ik ook niet. Toch heb ik niet het gevoel van een einde van mijn werk. Ik ben zoo niets anders dan dichter. Mijn heele leven is er op ingericht, en alles wordt er weer op teruggebracht. Zoodoende beschouw ik zoo'n ziekteperiode, als loutering en gedwongen inkeer, die, ik bid erom, weer vruchten zal opleveren. Misschien vruchten die anders zullen zijn dan vroegere, maar die er toch dít wel mee gemeen zullen hebben, dat

[p. 23]

ze niet graag zullen gegeten worden. Rijm- en maatloos als de nieuwste geluiden40 mogen ze niet zijn. Las je wat Paul Valery [lees: Valéry] van de bandelooze verovering zegt: ‘Quelle grande que soit la puissance du feu, elle ne devient utile et motrice que par les machines où l'art l'engage; il faut que des gênes bien placées fassent obstacle à sa dissipation totale, et qu'un retard adroitement opposé au retour invincible de l'équilibre permette de soustraire quelque chose à la chute infructueuse de l'ardeur’.41

Ja een dichter kan zich niet genoeg beperkingen opleggen, vind ik.

Ken je de ‘Charmes’42 van Valery [lees: Valéry]? Ik heb daar veel moois in gevonden. De beste van de Fransche jongeren zou je hem kunnen noemen als je niet wist dat hij al 65 was. Een voorbeeld ervan, hij, dat een lang zwijgen je niet hoeft te verontrusten. Dat doet het jou toch ook niet he? Ik vertrouw er vast op dat je weer beginnen zult. Je laatste bundeltje43 was er té rijk voor dan dat het een einde zou kunnen zijn.

Van mij komt in het voorjaar een prozaboekje uit, kleine verhaaltjes van 1 a 2 blz, dat ik verleden winter schreef. ‘Vluchtige Begroetingen’,44 de titel, geeft den inhoud goed weer. Het is eigenlijk als spel en afleiding geschreven in een tijd toen ik me al minder goed begon te voelen. Trouwens spelen doe ik graag, ook in mijn werk. Ik ben het met de romantici eens dat er in spel veel zit. Schertsend iets licht te maken, dat zwaar heet te zijn is prettig en loonend. Je weet dat evengoed als ik. Is dikwijls een enkele geestige Londensche brief niet meer waard dan een lijvig boekdeel?

Ik hoop, dat deze brief niet te lang is geworden, dat ik er al te veel over mijzelf in spreek, en dat hij tezeer de sporen draagt van vermoeienis. Het schrijven spant me nog wel erg in, al ben ik den laatsten tijd ook langzaam aan het beteren.

Schrijf je me nog eens terug, als je er lust en tijd voor hebt? Ik zou dat heel prettig vinden, en vertel je dan veel van jezelf? Gaat het je thuis goed met vrouw en kinderen? Mijn vrouw maakt het tegenwoordig goed. Een ellende is dat Den Haag zoo op ons afkomt en we heelemaal in worden gebouwd. Altijd weer verder weg moet ik mijn wandelingen zoeken.

Nu hartelijk gegroet, en ook je vrouw

 

je

vdLeeuw

32Zijn onvrede met de veranderingen in zijn omgeving en met alles wat de tijd na de oorlog bracht, heeft Van der Leeuw vaker uitgesproken, bijvoorbeeld in een brief aan Arthur van Schendel van 30 november 1925: ‘Het is niet opwekkend te werken in een tijd waar je je zoo ver van afvoelt, tenminste dat is bij mij zoo. Aan den anderen kant vind ik in het schrijven te veel geluk om er mee uit te scheiden en trouwens zonder arbeid kan ik niet bestaan’. Zie: F.W. van Heerikhuizen, De strijd van Aart van der Leeuw, Amsterdam, 1951, p. 103.
33[] gevolgd door een exponentieel +-teken geven aan, dat wat tussen de [] staat door Van der Leeuw niet geschreven is. Dit in tegenstelling tot de andere gevallen in Van der Leeuws brieven, waarin [] gebruikt zijn en waarbij het om perforaties gaat. Zie ook de Verantwoording.
34Van deze bloemlezing door Van Eyck (Baarn, 1923) had de inleiding, Over Platoons Ideeënleer in De Gids gestaan (oktober 1922); zie ook VW 4, p. 204-243. H.A. Wage vermeldt in De principes van Van Eycks literaire kritiek in Studia Neerlandica 1 (1970), afl. 1, p. 47: ‘...al voor 1914 had Van Eyck zich diepgaand beziggehouden met Plato en de gedachte aan een bloemlezing van zijn hand, was ook toen al in hem opgekomen’.
35Van der Leeuw bedoelt Rede over Albert Verwey, opgenomen in De Bibliotheekgids, 1 februari 1925. Een verbeterde lezing verscheen afzonderlijk onder de titel Idee en wil in 1944 (wegens de oorlog geantedateerd 1940) in een oplaag van 140 exemplaren bij A.A.M. Stols. Daarin tekent Van Eyck aan: ‘Op 14 Januari 1925, bij gelegenheid van Verwey's intrede als hoogleraar in de Nederlandse Letterkunde te Leiden, richtte Geerten Gossaert te zijner eer in Huize Voorhout te 's-Gravenhage een festijn aan, waar, behalve de dichter en zijn gezin, met enkele familieleden en oude vrienden, een groot deel van de medewerkers aan De Beweging, zo van de vroegsten als van de lateren, tezamen kwamen. Het voorafgaande is de rede, op verzoek van Gossaert aan het feestmaal door mij uitgesproken’. Deze tafelrede is belangrijk voor het begrip van het streven van de dichter en kritikus Van Eyck. Zie: H.A. Wage, De principes van Van Eycks literaire kritiek, p. 45. De herziene tekst is opgenomen in VW 4, p. 600-610. Zie ook noot 232.
36Het grote gedicht, waarmee De weg van het licht opent. Zie: Albert Verwey, Oorspronkelijk dichtwerk, Amsterdam enz., 1938. 2 dln. Dl. II, p. 166-171.
37Regel 2-5 van het gedicht De slaaf van het ogenblik. Zie: Albert Verwey, Oorspronkelijk dichtwerk, dl. II, p. 228-230.
38Zie: Albert Verwey, Oorspronkelijk dichtwerk, dl. II, p. 203-205.
38aVan der Leeuw blijkt Leopolds in januari 1924 in 50 exx. verschenen bundel Oostersch te kennen, waaruit hij hier de eerste drie regels van het gedicht ‘God heeft een huis gebouwd en dak’ verwerkt heeft.
39Verschenen z.p., 1915.
40Toespeling op Dirk Costers bloemlezing Nieuwe geluiden .
41Zie: P. Valéry, Note et digression, in P. Valéry, Oeuvres, s.l., 1960. Bibliothèque de la Pléiade, 2 tom., Tome I, p. 1205. Onder de titel Introduction à la méthode de Léonard de Vinci verscheen deze Note et digression voor het eerst in 1919 en werd vervolgens opgenomen in de essaybundel Variété van 1924.
42Paul Valéry, 1871-1945. Frans dichter, kritikus en essayist. Zijn dichtbundel Charmes dateert van 1922. Een door Van der Leeuw gemaakt afschrift van deze bundel bevindt zich in zijn nalatenschap.
43Inkeer, Arnhem, 1922.
44Verscheen in mei 1925 bij Nijgh en Van Ditmar te Rotterdam.
prepostterug  begin  verder