terug  begin  verderprepost
[p. 24]

E 2

24 Maart '25

 

Beste van der Leeuw,

Je hebt mij buitengewoon veel pleizier gedaan met je lange brief. Ik had al verscheiden malen het voornemen gehad je een briefkaart te schrijven, om te vragen, waar je door je vrouw aangekondigde brief bleef, maar dat viel mij altijd 's nachts op bed in, en de volgende dag kwam het er weer niet van. Gelukkig dus, dat je nu toch geschreven hebt. Ik ben helaas zoo'n ongeregeld correspondent. Ik schrijf wel een massa brieven, maar nooit in een werkelijke correspondentie. Een deel van mijn dag gaat naar de krant.45 En als ik met een stuk voor De Gids bezig ben, dan doe ik niets anders en is het mij onmogelijk brieven te schrijven. Hilde moet ik b.v. sinds verleden jaar Februari antwoorden, - en dan had zij mij nog al een heel manuscript46 gezonden, dat ik nog niet eens gelezen heb. Dat werk van [lees: voor] De Gids kost mij dan ook een groote inspanning. Voor ik tot schrijven kom, heb ik het te bespreken boek zoo vaak gelezen, dat ik het van buiten ken en ik kan ook niet beginnen voor ik de heele bouw van mijn stuk klaar heb. Zoo is de rede over Verwey de tiende fassung. Elke keer, terwijl ik bezig ben, kom ik er tegen in opstand op die manier te werken, maar als 't dan naar mijn idee goed is, d.w.z. 't wezen van een schrijver, zooals ik dat zie, zoo volledig mogelijk weergeeft, hoop ik weer op de volgende keer. Ik ben nu sinds lang met Buning47 bezig, en ik wou maar dat het af was. Dit alles ter verklaring, waarom ik zoo slecht tot brieven komen kan. Anders had ik je zeker over je Opvluchten,48 en zeer zeker na mijn herlezing daarvan een paar maanden geleden geschreven. Zoo bij ingeving haalde ik het in het begin van den winter op een avond uit de kast en herlas het heelemaal, bij mijn haard gezeten. Ik vind het je mooiste boekje en ik geloof, dat je er voldaan over zijn kunt. Ik zie uit je brief dat je het niet gemakkelijk hebt.

[p. 25]

Ik kan mij dat zoo goed begrijpen, en dan ken ik aan den lijve het gevoel van onwelzijn niet. Ik lijd wel vaak aan maagpijn, maar in den regel is dat een gevolg van te nerveuze inspanning en als iets af is, verdwijnt het weer. Het is met jou iets anders. En toch, het is natuurlijk wel gemakkelijk om het te zeggen, maar wanneer je er in slaagt, onder al dat tegenwerkende ‘harmonie en geluk’ te bezingen, zooals je zegt, is het als verwezenlijking dan niet nog waardevoller, dan wanneer je 't zonder deze tegenwerkende elementen deedt? Geldt ook hiervoor niet wat je schrijft over de funktie van de dwang die de vorm in het gedicht uitoefent: iets van buiten opgelegds, maar waaraan en waarvoor het innerlijk eerst geheel en het schoonst verschijnen kan? Dit innerlijk heeft de natuurlijke neiging zich er tegen te verzetten, het wil vrije uitstrooiing. Dit sluit de gestalte uit. Het donker zelf van het leven te dwingen, om het licht aan zich te laten verschijnen, - kan er schooner bereiken zijn? Het is gemakkelijk genoeg met een hart boordevol vreugde van de schoonheid in het leven te dichten, - maar zingt men zoodoende het heele leven, en zijn heele schoonheid? Gelukkig, wanneer je vermoeden kunt, dat aan de overkant van de dorre onvruchtbaarheid vruchten binnen te halen zullen zijn, die anders zijn dan wat je tot nu toe gegeven hebt. Die tusschen-periode, met zijn onbevredigdheid, is ongetwijfeld noodig om hen te kunnen binnen halen. Als jij, ken ik het ongeduld, en de onzekerheid. Dat ook voor mij mijn dichterschap mijn persoonlijke middel en taak is, en in het midden van mijn leven staat, is juist wat Jacques en Roland Holst niet zetten kunnen. Toen ik verleden jaar het eerste gedichtje schreef, waarvan ik wilde, dat het een begin van de voortzetting van mijn werk was, begon dat vanuit mijn behoefte aan het gedicht. Je begrijpt, hoe vaak ik ongeduldig geweest ben. Weet je, dat ik wel eens dacht aan den strofe van jou:

 
Maar ik, mijn mindre, weiger mijne stem
 
En 't smachtend spel der afgematte vleuglen
 
In sluimrende overgave te beteuglen,
 
En mij te nestlen op het veld, naast hèm.?49

Ik weet niet, of het beter is dan b.v. Inkeer, wat ik de laatste tijd gemaakt heb. Maar het voelen van die ontstolling van binnen, nadat ik zoolang altijd in mijn hart die starheid, die gestoldheid gevoeld had, was een ervaring, die de echtheid waarborgde. Jij weet, wat je zelf betreft, dit alles natuurlijk zoo goed als ik, maar weten is een raar ding, waar alleen doen de oplossing en de bevrediging kan brengen.

Dat ze niet graag gegeten zullen worden, het is jammer, maar voor hoe lang? Er waait op 't oogenblik onder de jongeren een wind uit de sfeer van Roland Holst c.s. Ik ben overtuigd, dat die niet lang zal duren, en zelfs geloof ik te kun-

[p. 26]

nen waarnemen, dat er al weer een kentering begint. Het kan niet anders. R. Holst is een einde, hij laat geen voortzetting toe. Heb je mijn stuk over Nijhoff50 gelezen? Daar heb ik de twee richtingen naast elkaar gezet, en de manier waarop R.H. daarop reageerde,51 sprak voor mij heel veel! Jaren lang is mijn werk nog veel meer genegeerd dan het jouwe. Pas met Inkeer is dat een beetje veranderd en enker voor Inkeer, dat toch onmiddellijk aan Lichtende Golven aansluit! Coster b.v. heeft mij nu als dichter ontdekt en in zijn bloemlezing52 opgenomen. De 2e druk verschijnt binnen kort en ik ben er zeker van dat hij jou daar voor nu vraagt, want door verschillende kritici is er aanmerking op gemaakt dat jij en de Haan ontbraken.53 Innerlijke waarde heeft dit alles absoluut niet. Dat een tijdgenoot van onze54 generatie haar pas omstreeks 1923 ontdekt, is schande genoeg, en hij ontdekt een aantal onrijpe jongeren tegelijk. Maar het verschijnen van een afzonderlijk deeltje voor onze generatie - dat was zijn plan55 - zal duidelijk doen zien, wat wij met elkaar vertegenwoordigden, en dat kan allicht het begin worden van een zuiverder waardeering ook van ons en zelfs misschien, door ons heen, ook van Verwey. Je hebt in dat dwaze stukje van Nijhoff in de N.R.C. ‘Poëzie’ kunnen zien, op welke manier Nijhoff, R. Holstiaan als hij nog is, zelfs de eenvoudige feiten vervalscht, en jou en mij bij Gutteling en Uyldert plaatst, terwijl hij onze werkelijke genooten Bloem, Gerretson, de Haan van ons afscheidt, en dan gebrek aan onderlinge waardeering onder ons56 constateert als oorzaak van verdwenen57 invloed, terwijl integendeel juist onze generatie onderling een groote waardeering had. Dit alles ‘komt’ inderdaad ‘terecht’, maar op een

[p. 27]

andere manier dan Nijhoff meent. Ik ben er overtuigd van. Dat stukje van Nijhoff was in die passage eigenlijk een afstraffing van Marsman, die naar onze kant neigt - kritisch - en de algemeene ‘hierografie’, die Nijhoff hekelde, was klaarblijkelijk alleen objectionabel, omdat ik er in opgenomen was (om Inkeer denk ik, of en misschien ook omdat de Haan er bij was.58 Marsman schreef onlangs in Vrije Bladen: ‘Gij wilt nochtans direct verband tusschen leven en kunst? Ziet hier: Creëeren is voor den dichter het vervullen der opperste levensfunctie’.59 Onderstreeping van hem! Klinkt het niet als van mij neergeschreven? Het is precies tegengesteld aan Nijhoffs of R.H.'s opvatting over het dichterschap. Marsmans mederedacteur Houwink schreef in hetzelfde nummer,60 dat Marsman, van

[p. 28]

den Bergh en de Vries uit De Beweging stammen. Ik laat de juistheid van dit zinnetje in zijn geheel daar, maar teekent het niet, onder begaafde jongeren, een begin van een richting? Het is al veel een afstamming te erkennen, en dat voor erfgenamen der Getij-menschen! Ik zie dit alles met belangstelling aan en ga ondertusschen rustig door met mijn artikelen, waaronder ook een uitgebreide studie van jouw werk een plaats zal krijgen.61 Zeker zal ook de kring waarvoor jouw werk iets beteekent, steeds grooter worden. Waardeering kan gemist worden, maar geen dichter zal wenschen, dat zij achterwege blijft. Het gevoel, iets voor anderen te zijn, is gerechtvaardigd begeerlijk.

Het deed mij pleizier te zien, dat jij mijn Platoon met vrucht gelezen hebt. Ik zou allerlei zoo graag willen uitwerken, maar in die dingen merk ik dan, dat ik toch voor alles kunstenaar ben. Dichterlijke uiting geven aan en steeds dieper werkelijker worden van wat in het boekje als gevonden levensbesef uiteengezet wordt, dat is het, wat nu belang heeft; het is, voor een dichter, het belangrijke. Mijn lezen van ‘De Weg van het Licht’ was voor mij een ontdekking. Ik was vol reserves tegenover Verwey, altijd. Ik heb nog reserves, ook tegenover een aantal gedichten in De Weg. Maar, als ik in die reserves gelijk heb, - hoe zou Verwey aan een wet kunnen ontsnappen, waaraan nog nooit één kunstenaar ontsnapt is? Ik droom al sinds lang van een boek over Verwey, dat ik zeker eens zal schrijven.62 Eigenlijk is al mijn proza als een groot werk63 gedacht, dat ik misschien in een jaar of zes wil afkrijgen. De Nederlandsche Poezie sinds 80, in studies, als die over Leopold, enz. De eerste deelen staan mij heelemaal voor de geest. Ik heb alleen veel moeilijkheden met De Gids64 en De Gids is een prikkel die ik, vrees ik, niet missen kan. Wat mijn verzen betreft, ik heb nu een klein boekje, als Inzicht af, dat ‘Voorbereiding’65 zal heeten. Je ziet, dat ook ik nog iets anders in het verschiet zie blinken. Zal het komen? Laboremus.

[p. 29]

Het is lang geleden dat ik je het laatst gezien heb, maar gelukkig heb ik nu althans met je vrouw kennis gemaakt. Mijn verblijf in Nederland was niet onverdeeld aangenaam, door een heele serie vervelende gesprekken. Jacques' houding tegenover mij, b.v., hoewel hij persoonlijk niet veranderd is, - is allerzonderlingst. In plaats van te trachten zich zelf eens te verruimen en eens flink de wind des geestes door zich te laten heenwaaien, groeit hij steeds meer vast en worden ‘de muren hoe langer hoe dikker.’ Wat je vertelt over die verplaatsing van zijn bundel, is karakteristiek. Ik zelf zou nooit de zending van een bundel met een visitekaartje beantwoord hebben, maar Jacques is niet in staat te begrijpen, dat Verwey reden had ontsticht over hem te zijn, en nog minder kan hij zich voorstellen, dat V. hem intellectueel gesproken niet voor ‘vol’ aanziet. Ik zeg niet: mondig, want dat vooronderstelt toekomende mondigheid. Zal Jacques het ooit tot mondigheid brengen? Ik word er steeds banger voor.

Den Haag komt op je af! London omvangt mij met haar vingers. Ik hoop er eenmaal heelemaal aan te ontkomen, over een paar jaar, dan wou ik buiten wonen, zij 't in de buurt van een station. Je kunt zeker niet verhuizen? Ik snak er naar, eens heelemaal niet meer tusschen de huizen te zitten. Ik ben dol op de Engelsche natuur, die buitengewoon is, en voor mij zeer aantrekkelijk omdat het terrein ook geaccidenteerd is. Zonder baantje zal ik het wel nooit kunnen doen. En nu, waarde vriend, moet ik eindigen. Nu staat het aan mij de hoop uittespreken, dat de brief niet te lang is, erger, niet van een te lange onleesbaarheid is. Ik zal nog trachten hem op te kalefateren. Namens mijn vrouw mede, en mede aan de jouwe, onze beste wenschen voor werk en gezondheid. Ik hoop nog eens van je te hooren. Met je brief was ik heel blij.

 

Geheel je

VEyck

45Hierover berichtte G.J. Renier in P.N. van Eyck in Londen, in Vrij Nederland, 11 oktober 1947, p. 15. ‘Correspondent van de krant was Van Eyck op bepaalde uren, iedere ochtend van 7 tot 9 uur, als hij de ochtendbladen las - een avondblad heeft hij nooit bekeken - om zijn telegram, later zijn telefoontje, op te stellen. Ook twee middagen in de week, wanneer hij zijn brieven schreef, wijsgerige ontledingen van de Britse politiek, nooit gericht tot de gewone lezer, maar tot een groepje intellectuelen in Nederland, die hem, althans bijna, konden begrijpen’. ‘Eens per week evenwel combineerde Van Eyck het correspondentschap van de N.R.C. met zijn particulier bestaan. Dat was op Vrijdag [...]. Daarna trokken zij naar de schouwburg, om de zorgvuldig gekozen toneeluitvoering bij te wonen. Dat was het grote contact met de Britse buitenwereld, en eens per maand werd er de degelijke en tevens fijne en geestige brief over het Engels toneel uit geboren [...]’.
46Vermoedelijk bedoelt Van Eyck het manuskript van de enige roman die Hilde Telschow geschreven heeft, Die Schwelle, en die tegen september 1917 voltooid werd. Toen heeft Verwey hem te lezen gekregen, maar niet schriftelijk beoordeeld. Die Schwelle is niet uitgegeven.
47Het artikel over J.W.F. Werumeus Buning verscheen mei 1925 in de reeks Nederlandsche Poëzie in De Gids. Zie ook VW 4, p. 426-451.
49Van Eyck haalt hier de derde strofe aan van het gedicht Liefde's ongeduld uit de bundel Opvluchten, 1ste druk, p. 54.
50Dit stuk stond in het januari-nummer van De Gids (1925). Zie ook VW 4, p. 370-395. Van Eyck schreef deze studie naar aanleiding van Nijhoffs tweede bundel Vormen, tegen welke titel hij principiële bezwaren had. Vóór de publikatie zond hij een proef aan de dichter zelf. De kritiek en de naar aanleiding daarvan gevoerde briefwisseling tussen Nijhoff en Van Eyck werd uitgegeven door W.Gs Hellinga in Maatstaf 5 (1957), p. 514-553 onder de titel Verzen en vezels .
51Roland Holst schreef op 6 januari 1925 aan Van Eyck, dat het door Van Eyck verdedigde begrip van poëzie met poëzie in de diepste en oorspronkelijkste zin van het woord niets te maken had. Zie: Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 35.
52Namelijk Nieuwe geluiden, Arnhem, 1924. Uitgegeven door Van Loghum Slaterus en Visser.
53Bijvoorbeeld M. Nijhoff in de N.R.C. van 4 oktober 1924 in zijn bespreking van Nieuwe geluiden. Zie: M. Nijhoff, Verzameld werk, z.p., 1954-1961, 4 dln., Dl. II, p. 199. De tweede druk verscheen in 1925 en daarin waren inderdaad De Haan en Van der Leeuw opgenomen. Ook de jongeren hadden kritiek op de eerste druk, met name op de Inleiding. Coster besteedde daarin slechts tweeënhalve pagina van de tweeënveertig aan de groep van Het Getij en van die tweeënhalve pagina waren slechts enkele regels gewijd aan Marsman. Onder druk van de kritiek werd de tweede druk op dit punt uitvoeriger. Zie: L. Mosheuvel, Over de historische context van ‘Prisma’ in Studia Neerlandica 1 (1970) nr. 3, p. 77-94.
54Van Eyck schrijft ‘van on onze’.
55Dit heeft Coster niet gerealiseerd.
56‘onderlinge’ en ‘onder ons’ zijn interlineair toegevoegd.
57Van Eyck heeft ‘afnemende’ vervangen door ‘verdwenen’.
58Onder de titel Poëzie I schreef M. Nijhoff in de N.R.C. van 14 maart 1925 over de bundel The best poems of 1924, een bloemlezing van Engelse poëzie. Op 4 april en 23 mei 1925 schreef hij over bloemlezingen van resp. Franse en Duitse poëzie. In het eerste stuk maakte Nijhoff van de gelegenheid gebruik om het een en ander te zeggen over literaire kritiek en literaire generaties:
‘En wat beginsel-verklaringen aangaat, men kan ze helderder uitdrukken en vruchtbaarder suggereren door een met persoonlijke kijk gekleurd oordeel over algemeen-erkende dichters van voorgaande geslachten, dan door een partij-keuze tussen ongeveer leeftijdgenoten. Ziehier het enige historisch gedeelte van kritische arbeidzaamheid. Dat Boutens groot is en dat Leopold groot is, weet iedereen; maar hoe het komt dat de eerste 10 jaar geleden en de laatste thans de meeste invloed heeft, is het onderwerp van een studie die een richting in onze poëzie zien laat en die een beginsel-verklaring kan insluiten, welke voor meer mensen begrijpelijk is dan de twisten tussen de Moenzen en de Boenzen, de Blessen en de Vossen, de Berghen en de Marsmannetjes. Zo'n studie is moeilijk en zou, om bij bovenstaand voorbeeld te blijven, van een ijzige moed tegenover Boutens getuigen, die men misschien van geen jong criticus vergen kan, te meer als hijzelf dichter is, maar hij zou zijn jongere tijdgenoten een groter dienst bewezen hebben dan met een redeloze hiërografie van al de ouderen. Die komen wel weer terecht. Trouwens, de jongeren ook. Alles komt terecht.
Literaire generaties danken hun kracht, hun zekerheid en eeuwenlang hun belang, in de eerste plaats aan onderlinge waardering. Die was aanwezig in de eerste tijd van “De Nieuwe Gids”, die ontbrak in “De Beweging”, waar de waardering misschien centraal maar zeker niet onderling was. Dat van de gehele talentrijke groep Van Eyck, Van der Leeuw, Uyldert en Gutteling geen invloed meer uitgaat, mag men wijten aan het feit dat zij allen naar hun leider Verwey opzagen, maar van elkander even ver afstonden als centrifugaal maar mogelijk was. Alleen De Haan, Bloem en Gossaert, in losser verband staande, blijven als de “aparten” die iedere generatie heeft, van geheel persoonlijk-bepaalde waarde, dwaalsterren op de grenzen der geslachten, waarvan Gossaert en De Haan reeds uitdoofden, terwijl Bloem zich goedschiks bij een volgende generatie liet inlijven (een geval van de- of regeneratie, al naar men het van toen of thans beziet)’. Zie: M. Nijhoff, Verzameld werk, z.p., 1954-1961, 4 dln., Dl. II, p. 288-293. Het citaat op p. 289-290.
59In een stuk getiteld De positie van den jongen Hollandschen schrijver in De Vrije Bladen, januari 1925, p. 1-3.
60In: Een vertoorn natuurdichter, p. 22-24. Houwinks stukje, een bestrijding van een artikel van Martien Beversluis in Onze Eeuw, november 1924, behelst het tegenovergestelde van wat Van Eyck er in las. Houwink kritiseert juist de mening van Beversluis, als zouden Marsman, Van den Bergh en De Vries uit De Beweging stammen.
61Pas na de dood van Van der Leeuw (17 april 1931) heeft Van Eyck deze studie geschreven: Aart van der Leeuw's ontwikkelingsgang, die in twee afleveringen in Leiding verscheen (juli en september 1931); zie: 2 (1931) II, p. 71-98 en 154-166.
62Tot het schrijven van een boek over Albert Verwey is Van Eyck nooit gekomen. Het bleef bij een aantal afzonderlijke artikelen. Zie: VW 4, p. 195-203; 247-275; 600-610; VW 5, p. 108-127; 403-421; 475-623; VW 6, p. 204-220; 247-252; 259-269; 333-361; VW 7, p. 596-639.
63Ook in volgende brieven spreekt Van Eyck over dit plan, dat hij al in 1922 had opgevat. De kritische artikelen, die hij publiceerde in De Gids en later in Groot Nederland en het tijdschrift Leiding, waren bedoeld als onderdelen, waarmee hij zijn ‘groote boek’ wilde samenstellen. Hij is er echter niet toe gekomen zijn kritisch proza over de Nederlandse poëzie sinds 1880 in één grote studie te bundelen.
65Voorbereiding verscheen in november 1925 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. De gedichten ontstonden in 1924 en 1925 en waren voor een deel reeds verschenen in De Gids van juni 1925 (zie ook noot 91).
prepostterug  begin  verder