terug  begin  verderprepost

L 4

Voorburg 6 Mei 1925

 

Beste vanEyck

Het is alweer een tijd geleden, dat ik je prettige brief kreeg. Het deed me zoo vertrouwd aan in dezen verscheurden, het leven ontkennenden tijd weer eens eindelijk met een geestverwant te mogen praten. Ik bad je al eerder willen antwoorden, maar ik wilde eerst je stuk over Nijhoff lezen. Ik heb nl in geen maanden een Gids in handen gehad, en voelde me over het algemeen ook te beroerd om naar de KB te gaan. Nu heb ik dit gedaan, en heb met volle instemming je kranig artikel gelezen. Je begrijpt wel dat ik het met je opvatting over het dichterschap geheel eens ben, ook voor mij staat het absoluut in het middelpunt van mijn leven. Iemand als Nijhoff schijnt het heel wat manhaftiger te vinden om de N.G. beweging zooals vDeyssel als een reusachtige fuif te hebben meegemaakt dan haar

[p. 30]

als een pinkstervuur te hebben gevoeld.66 Ik vind het dan mooier om in een gewijde stemming je werk te maken dan in een dronkemansroes. (Wat is dat enorme geheim toch dat vDeyssel de wereld onthouden heeft. RHolst maakte er bij zijn feest67 ook al een versje over?). Om op je artikel terug te komen, wat is je waarschuwing aan Nijhoff ook absoluut op zijn plaats. Dat derde land!68 Natuurlijk is er alleen heil te verwachten van een opvoering van het leven, nooit van zijn ontkenning. Wat wil dat hangen en verlangen naar een eiland der zaligen zooals RHolst dat doet, zeggen als je in het leven gefaald hebt? Dan voel ik meer voor dat beeldschoone meisje uit de Zend Avesta, dat je na je dood opwacht, om je naar het paradijs te leiden, en als je verwonderd en bekoord vraagt: ‘wie ben je toch?’ dan antwoordt ze: ‘de rijkheid van je aardsche leven’. In Nijhoffs bundel69 (hoe knap anders ook) staat me tegen dat hij van het leven niets heeft weten te geven dan dekadente feestpartijtjes. Natuurlijk dat een dergelijk bestaan

[p. 31]

niet voldoen kan, en dat roepen om Christus doet dan ook veel meer als zwakte en leegheid aan, dan als uit een ernstige worsteling opstijgende vroomheid. Trouwens datzelfde onernstige en frivole is ook in zijn kritieken te vinden. Geen wonder, dat zoo iemand jouw werk dat met al de ernst van geest en ziel is geschreven niet hebben kan. Bij Jacques natuurlijk hetzelfde. (Een paar dagen [ge]-leden was hij hier, en verzette zich ook hevig tegen alles wat ons ter harte gaat). Jacques die niets au serieux neemt, en zich in geen enkel ding tucht op kan leggen; wat moet hij beginnen met menschen die voor een taak leven? De tegenwoordige tijdsomstandigheden geven aan zulke menschen als Jacques en Nijhoff nog een zekeren achtergrond[,]+ een zekere reden van bestaan, en de bewondering, die ze genieten, komt veelal voort uit een behagelijk herkennen van eigen zwakheden. Maar als de wind uit een anderen hoek gaat waaien, zal het gauw uit zijn. Zal het spoedig gebeuren? Je denkt van wel. Ik ben minder optimist. Vooral omdat er geen krachtige leider is. Jij zou het kunnen zijn als je meer gelegenheid en vrijheid had om je te uiten, als je bv. een eigen tijdschrift had. Jacques critizeerde ook sterk den vórm van je artikelen. Ik ben het niet met hem eens maar ik begrijp tenminste wat hij bedoelt. Iets minder zwaar konden ze zijn. Ik bedoel zoo. Zooals je me schreef leeft het geheele stuk in je gedachten voor je het opschrijft, en telkens omwerkende verwoordt j[e] het dan. Je hebt den drang en den wil in je om het gedachte onverzwakt in je woorden op te doen gaan, en je hoopt telkens dat het ook mogelijk is. Maar het is, dunkt me, niet mogelijk. Ik geef Bergson gelijk waar hij zegt dat gedachte en taal ‘incommensurable’ zijn, en dat we onze gedachten nooit aan anderen kunnen meedeelen, maar ze alleen suggereeren. Het is ontzettend lastig het juiste te vinden hier. Ik verg ook altijd te veel van mijn taal, waardoor wel eens ophooping van beelden ontstaat, bij jou dan meer ophooping van gedachten. Misschien wat aan het instinct overlaten (hoewel dat een gevaarlijk woord is, en ik meer dan misselijk ben van al de walgelijke ‘trieb’-boeken die in naam van dat instinct geschreven zijn). Misschien zou je in plaats van instinct hier ook van vertrouwen, overlaten, vroomheid kunnen spreken. Maar het is zoo oneindig moeielijk om niet te willen forceeren. Dit is een opmerking die niets afdoet aan mijn groote bewondering voor je proza. Maar zooals je zelf zegt inverband met Verwey's ‘Weg van het Licht’ iéts te wenschen over blijft er altijd nog wel.

Zooals je dacht heeft Coster mij voor zijn nieuwe editie van Nieuwe Geluiden ook om verzen gevraagd. Maar ik heb eenig bezwaar gemaakt tegen zijn keuze, en daar nog geen antwoord op ontvangen. Het hangt dus nog in de lucht. Neen, in Coster heb ik nooit ook maar in het minst een leider gezien. Zijn voornaamste daad: het ontketenen van de Dostojewskirage,70 in een tijd als dezen, beschouw

[p. 32]

ik als een literaire halsmisdaad. Toen Verwey nog het roer in handen had, was zoo iets onmogelijk geweest.

Wat ben ik verlangend naar je nieuwe verzenbundel. Wanneer verschijnt hij? Na je ‘Inkeer’ heb ik nooit gedichten van je gelezen (de Gids heb ik niet geregeld gevolgd). Eindelijk weer eens de stem van iemand die geen ‘modderen man’71 is. Heb je wel opgemerkt, dat er in de bundels van RHolst en Nijhoff nooit een bloem bloeit en nooit een vrucht rijp wordt? Ja, laboremus, dat is het eenige wat er te zeggen is; en zoolang je dat zeggen kunt en wilt is het leven ook rijk en goed, hoe moeielijk dan ook.

Het voorjaar begint hier nu, laat gelukkig want dan wordt het meestal mooi, de pere[bo]omen staan in bloei, en het eerste groene waas hangt over de iepen. Ik hoop ook op een beetje bloei voor mijn geplaagde corpus en dan: ‘dass mein Herz neublühend werde.’ Verandert Londen ook in het voorjaar, en het is toch niet waar wat Alice Meynell72 zegt, dat je er nooit een wolk in zijn geheel ziet? Maar je kunt toch zeker wel uitstapjes maken.

Schrijf je weer eens terug? We vinden het allebei prettig, dus laten we het in stand houden.

Ons beider hartelijke groeten, ook aan je vrouw

 

je

AartvdL

66Zie: M. Nijhoff, Albert Verwey de dichter in N.R.C. 2 mei 1925; herdrukt in: Verzameld werk, dl. II, p. 305-310. ‘Kloos, Gorter en Van Eeden zijn voor mij de beweging van '80. Voor Van Deyssel, met oneindig dieper en ontijdelijker aangelegenheden in de geest vervuld, was het een voorbijgaande literaire fuif, waaraan hij gaarne meedeed, omdat hij daar snel kon schijnen wat hij was, en er tevens een uitstel in vond, om nog te verzwijgen wat hij werkelijk te zeggen had (hij heeft het nooit gezegd en de grootste kans van onze eeuw gaat als een geheim verloren); maar voor Verwey was '80 niets minder dan een Pinkstervuur’. Het citaat op p. 307.
67Op 22 september 1924 vierde Van Deyssel zijn zestigste verjaardag. Een dag later werd hij onder voorzitterschap van P.C. Boutens op grootse wijze gehuldigd in Huize Kleykamp en aan een banket in Hotel De Twee Steden te Den Haag. Bij gelegenheid van Van Deyssels verjaardag droeg A. Roland Holst aan de N.R.C. van 20 september 1924, Avondblad A, het volgende kwatrijn bij:
 
Hij spreekt zooals maar weinigen ooit schreven;
 
zijn schrijven is een sterk spel met het leven;
 
maar weet wel een van ons welk trotsch geheim
 
er in zijn woord verzwegen is gebleven?
Dit kwatrijn werd voor de eerste maal gebundeld, onder de titel Lodewijk van Deyssel, en met de toevoeging ‘Bij zijn zestigsten verjaardag’, in A. Roland Holst, In gevaar, Parijs, enz., 1958, p. 78. In 1963 zou de dichter het ook opnemen op p. 258 van de derde herziene en vermeerderde druk van de bloemlezing In ballingschap . Keuze uit eigen werk. De informatie van deze en de vorige noot werd mij meegedeeld door Harry G.M. Prick te Den Haag.
68Hierover schrijft Van Eyck in zijn artikel het volgende: ‘De volledigste uitdrukking van het leegheidsgevoel, een waarin de leegheid als wezenlijk en volstrekt gegeven zou zijn, wanneer de gedwongen klacht de mogelijkheid van het andere niet desondanks bleef volhouden, is Het derde Land ’. Van Eyck laat het gedicht in zijn geheel volgen en vervolgt met: ‘In dit volmaakte gedichtje ligt de overgang tot dat in Nijhoffs poëzie nieuwe inhoudsbestanddeel, waarvan ik in de aanvang sprak en dat vooral in de laatste produktie overwegend wil worden’. Zie: VW 4, p. 378.
69Vormen, Bussum, 1924, naar aanleiding waarvan Van Eyck zijn artikel had geschreven. Op 21 mei 1925 schrijft Van der Leeuw aan Verwey over Vormen aldus ‘Maar de bundel is mij toch niet sympathiek. In “Steenen tegen den Spiegel” en “Tuinfeesten” wordt een beeld van het leven gegeven, dat mij veel doet denken aan dat der zgn. decadentie uit mijn jongensjaren. Blasé en liefdeloos. Hoe is van een zóo opgevat leven ook te houden? En is dat handen uitstrekken naar Christus niet veel meer iets leegs en hopeloos' dan iets vrooms? Virtuoos vind ik die verzen wel in hooge mate, maar vol valsche glanzen’. Het citaat naar Hulsker, p. 336.
70Dirk Coster heeft zich ten zeerste beijverd om de hernieuwde belangstelling voor Dostojewski te stimuleren. Voor Coster was Dostojewski de grote profeet, die het wezen van de 19e eeuw had doorzien en wiens inzichten de 20e nieuwe levenshoop moesten geven. Onder meer in Dostojewski. Een essay (Arnhem 1920) legde Coster getuigenis af van zijn diepe bewondering voor Dostojewski, die in zijn ogen ‘misschien de allergrootste [schrijver is,] ooit door de aarde gedragen’. Het citaat op p. 14.
71Dit is een reminiscentie aan Karel van de Woestijne's dichtbundel De modderen man (1920), waarvan ‘het, vrijwel al het andere uitsluitend, grondgevoel berust op de demonie van de aardse lust’. Zie voor het citaat: Gerard Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, 3e dr., 's-Hertogenbosch, 1964, 4 dln., Dl. IV, p. 409.
72Alice C.G. Meynell, 1847-1922. Engels dichteres en essayiste. Van der Leeuw herinnert zich het begin van het essay Cloud, dat behoort tot de afdeling The colour of life van: A. Meynell, Essays, London, 1914, p. 184-187: ‘During a part of the year London does not see the clouds. Not to see the clear sky might seem her chief loss, but that is shared by the rest of England, and is, besides, but a slight privation. Not to see the clear sky is, elsewhere, to see the cloud. But not so in London. You may go for a week or two at a time, even though you hold your head up as you walk, and even though you have windows that really open, and yet you shall see no whole cloud, or but a single edge, the fragment of a form’.
prepostterug  begin  verder