terug  begin  verderprepost

L 5

Voorburg 27 Mei 1925

 

Beste vanEyck

Hartelijk dank voor de toezending van de overdrukjes. Nu ik nog maar zoo weinig op de Koninklijke kom zijn ze een heele tegemoetkoming. Je stuk over Woestijne73 had ik indertijd nog gelezen, maar nu las ik het met groote bewondering en volkomen instemming weer over. Dit is het beste stuk dat ooit over Woestijne is geschreven. Uitstekend geteekend, hoe hij van den zinnelijken Rubensmensch, tot den moeden levensverachter is geworden, en hoe juist geef je aan,

[p. 33]

dat de Interludiën ziel missen. Mijn oordeel over Woestijne is altijd min of meer hetzelfde geweest als het jouwe. Maar nu het verschil in houding wat meteen aangeeft waarom ik geen criticus zijn kan. Ik kan niet objectief blijven, en ook niet tot jouw conclusie komen: ‘dat oordeel kan nooit afwijzend zijn’. Subjectief voel ik een levensverachter als Woestijne als mijn vijand en besprak ik hem dan zou ik hem ook zoo behandelen. Wat natuurlijk absoluut fout zou wezen. Jouw toch door alles heen waardeerende houding doet weldadig aan.

Nu je met deze essay bereikt hebt, dat geen zin me ontgaan is, en ik je meening woord voor woord heb begrepen, zou het me eigenlijk niet passen ook maar eén bedenking over den vorm te uiten. Maar met zoo'n bezwaar kun jij natuurlijk precies doen wat je wilt en daarom uit ik het maar. Waarom was ik zoo in mijn schik met dien vorst op zijn statiebark?74 Omdat ik hem eigenlijk het heele stuk door al een beetje gemist had en naar hem verlangd had. Ik ben nu eenmaal een onverbetelijken verbeeldingenminnaar, en daaraan ligt het misschien dat ik je gedachten soms een beetje meer uitgedost zou wenschen, en met een pluim op hun baret. Zijn ze er te ernstig voor? Beschouw jij ze zoo, of dulden zíj het niet dat je ze tooit? Ik ben hierover niet geheel met mezelf in het reine. Misschien is het beter dat een critiek niet versierd is, misschien is het een juist streven om niet te rusten voor elke gedachte zoo volkomen mogelijk omschreven is en geformuleerd. Misschien heeft ook Bergson geen gelijk. Zeg me daar eens je meening over. Ook zoó als je critieken nu zijn voldoen ze mij in hooge mate.

Je beoordeeling over Boutens Louise Labe [lees: Labé]75 vond ik rapper en losser, maar die hoefde ook niet zoo diep te gaan als die over Woestijne. Is het met ideeën als met water, sluit diepte kleurig golfspel uit? Ik las ook nogeens Verwey's critiek over Rilkes vertaling. Broederlijke uitingen.76

[p. 34]

Wat je zei over Werumeus Buning77 leek [mij] ook heel goed. Zijn Enkele Gedichten ken ik nog niet. Je warm gevoel voor In Memoriam deel ik volkomen. Naar wat een gevaarlijk punt hebben zich tegenwoordig de meeste kunstenaars toch verklommen. Hoe goed dat je waarschuwt, waar er verder niets dan applaus gehoord wordt. Ook de vraag bij Buning: zal hij genezen? Veel eerder verwacht ik het van hem dan van Holst en Nijhoff. Het leven is toch zoo wonderbaar, niettegenstaande alles. Bovendien is het hier toch je werkplaats. Ken je Fechner's Büchlein vom Leben nach dem Tode?78 Veel fijns en waars in dat maken hier van je later lichaam. Zou de bitterheid van die vele levensverzakers niet vooral voortkomen uit een onheilig gebruik dat ze van bloemen en vruchten, en ook menschen [g]emaakt hebben?

Ik ben weer met gedichten begonnen. Een verademing als het zingen weer wat wil! De lente heeft dan ook zooveel heerlijks gebracht. Peren en appelbloesem is niet bizonder geweest, en toen het mooie weer begon waren de bloemenvelden bijna gedaan. Maar de meidoorn in de duinen is zoo verrukkelijk geweest als ik ze zelden gezien heb, en de weiden zijn heelemaal goud van de boterbloemen.

Zet je nog eens tot een epistel op een regendag.

Met hartelijke groeten ook aan je vrouw

 

je

AartvdL

 

Heb je mijn ‘Vluchtige Begroetingen’ al? Anders zal ik ze je zenden.

73 Karel van de Woestijne's ‘Interludiën’ in de reeks Nederlandsche Poëzie in De Gids van februari 1925. Zie ook: VW 4, p. 396-406.
74Van der Leeuw parafraseert met enigszins losse hand. In VW 4, p. 405 kan men lezen: ‘Zij [= de poëzie van Interludiën] mist, in de eerste plaats, ziel. Zij geeft de impressie van een door de vorst gegeven weelderig gestoffeerd volksfeest aan de groene oevers van een bontversierde stroom. In het midden van de bruisende vreugde komt de vorstelijke staatsiebark met blinkende blazoenen en kleurig wapperende vaandels, glinsterend van zilver en flonkrend van verguld, de rivier afzeilen. Rood-en-gouden muzikanten vermengen uit hun koperen instrumenten 's vorsten lijfmelodie van over het water met het luide druisen en roepen der wemelende menigte aan de oever, maar het gekroond baldakijn op het midden van het dek blijft ledig, want de vermoeide vorst is in kwijnende teruggetrokkenheid op zijn hoge kasteel gebleven en staart door het verre venster naar het bedrijvig dringen der feestelingen, die, zo denkt hij, de pralende tegenwoordigheid van zijn staatsiebark genoeg in vervoering zal brengen om hen zijn eigen afwezigheid te doen vergeten. Wij, Van de Woestijnes lezers, op het feest genodigd, vergeten die afwezige vorst niet en wij worden ontevreden’.
75Boutens' ‘Lovïze Labé’ in De Gids, maart 1925. Zie ook: VW 4, p. 413-421.
76Zoals blijkt uit de volgende twee brieven vergist Van der Leeuw zich. Wat hij hier aanmerkt als een kritiek van Verwey op Rilkes vertaling van de sonnetten van Louise Labé is in feite een artikel van Van Eyck, Die vierundzwanzig Sonette der Louïze Labé, dat in maart 1918 in De Beweging verschenen was. Zie ook: VW 4, p. 117-120. Naar Mevr. Nijland-Verwey mij meedeelde, heeft Albert Verwey zich nooit openlijk over Rilke uitgelaten, behalve door de vertaling van één gedicht.
78Das Büchlein vom Leben nach dem Tode is een filosofisch geschrift van G. Th. Fechner (1801-1887), ontstaan in 1836.
prepostterug  begin  verder