terug  begin  verderprepost

E 3

papier zonder gedrukt briefhoofd

 

[Londen] 4 Juni '25

 

Beste van der Leeuw,

Hier ben ik eindelijk, met hartelijk dank voor je twee brieven, en met duizend verontschuldigingen voor mijn wachten. Maar er zijn allerlei dingen geweest, zooals je zien zult, die mij mijn correspondentie hebben doen uitstellen. Het deed mij bijzonder veel genoegen te hooren, dat je weer aan 't dichten gekomen bent, en ik hoop daar spoedig de vruchten van in druk vóór mij te zien. Bon, toi! Je oordeel over mijn prozastukken heb ik met voldoening gelezen. Alleen is de familiebetrekking tussschen de 2 stukken over Louise Labé niet fraternaal maar filiaal, in dien zin dat hier ‘the boy’ weer ‘father of the man’ was. (Ik hoop, o beeldenmaker,79 dat je hier oogenblikkelijk een pracht van een regenboog zult

[p. 35]

zien, en een hart dat vruchteloos tracht naar het hoogste punt van zijn onderrand80 te springen.) Je hebt nu al begrepen, dat ook het eerste stuk over L. Labé van mij was. Ware dit niet zoo, de verhouding zou eigenlijk meer dan broederlijk die van patroon en client om niet te zeggen slaaf geweest zijn. Maar mijn proza! Ja, ik heb de laatste paar jaar getracht het geheel bepaald te doen worden door mijn opvatting van kritiek,81 en verder door het streven naar eenvoudige weergave van gedachten of gedachtegeheelen. Vandaar dat het misschien wat zwaar en gedrongen is. Jacques's oordeel hierover is mij natuurlijk waardeloos, omdat hij nooit een stuk van mij werkelijk goed leest. Zoo zei hij: wan [neer] ik er eenmaal ‘in’ was, en over de schrijver zelf begon, (dat doe ik n.b. altijd!)82 dan werd het meestal wel interessant.’ Dit is nonsens. De zaak is in de eerste plaats, als met een roeier, de lezer zelf moet er in komen, en is hij, nadat hij eenmaal gepakt is, bereid om nog eens van voren af aan te beginnen, dan zal het vaak blijken, dat het werk zelf voortdurend op dezelfde hoogte staat. In de tweede plaats zijn mijn stukken zoo door wat Carlyle noemt ‘fundamental brainwork’83 voorafgegaan, verder kan men zoo weinig zeggen welk deel nu eigenlijk het eerst of het laatst door herschrijving zijn definitieve vorm gekregen heeft, dat Bloems heele opvatting oppervlakkig is. Heel anders sta ik tegenover jouw meening en het lijkt mij onweerlegbaar, dat een zoo goed meenend en zeer waardeerend lezer minder moeite zou moeten hebben. Ten deele zal die moeilijkheid wel samenhangen met de heele bouw van mijn persoonlijkheid. Voor dat deel is zij van de groei van mijn persoonlijkheid zelf afhankelijk. Maar ten deele moet er reeds nu iets aan te doen zijn, en ik zal dan ook steeds meer streven naar een voud en bevattelijkheid. De rede over Verwey (heb je daarvan een overdruk?) b.v. lijkt mij op dit stuk een groote vooruitgang bij het stuk. Die is met volharding op verstaanbaarheid herschreven, en nog eens herschreven. Moeilijke gedachten moeten moeilijk blijven, maar toch geloof ik dat ik in die rede wel wat bereikt heb.

Veel gelegenheid om mij in het prozaschrijven te oefenen zal ik overigens voorloopig niet meer hebben, althans niet zooveel als vroeger. Van De Gids heb ik nl.

[p. 36]

in een zeldzaam leugenachtig briefje ‘gedaan gekregen’.84 Ik was reeds vroeger onwaardig behandeld, maar dat briefje is zoo'n schending van de door C.85 zelf in zijn brieven gegeven feiten, dat ik niet weet waar mij het meest over te verbazen, de domheid of de leugenachtigheid. De heeren zijn echter nog niet met mij klaar. Het beschikbare materiaal te gebruiken is iets, waarvoor zij geen betere, d.i. kwadere gevonden konden hebben. Ik ben begonnen, met aan elk der red.-leden een rustig betoog te zenden, waarin de ‘cup of their iniquities’ zonder eenige emphase uitgemeten is, en feiten getrouw en documentair tegenover leugens gesteld worden. Het richt niets uit, natuurlijk, maar wat mij betreft is het pas een eerste stap. R.H.'s houding is karakterloos geweest, d.w.z. dat hij laf en dubbelhartig opgetreden of niet opgetreden is, en van hem spijt het mij het meest, dat hij zoo onweerlegbaar gebrekkig geweest is. Wat die vroegere onwaardigheid betreft, dat vloeide nog voort uit de houding die R.H. tegen de door mij ingezonden verzen ingenomen had.86 Ten slotte zijn ze allen [lees: alle] aanvaard maar de manier waarop was zoò, dat ik haar niet ter wille van mijn proza87 heelemaal over mijn kant kon laten gaan. Jacques zal je er wel een en ander over verteld hebben. Ik betwijfel echter, of zijn relaas objectief geweest is. Jacques heeft op Holst's kaart gezet. Holst had n.l., toen ik geen ‘schikking’ wilde,88 een voorstel gedaan om voortaan mijn inzendingen onbeoordeeld te plaatsen. Ik

[p. 37]

heb mij tot vlak voor de vergadering tegen dat voorstel met hand en tand verzet, maar Holst persisteerde hardnekkig omdat het volgens hem het eenige middel was om 't conflict op te lossen. Ten onrechte, omdat de verzen ten slotte wel degelijk buiten dat voorstel om aanvaard zijn. Het gekste is echter, dat C. mij op grievend nadrukkelijke wijze schreef, dat mijn voorstel enz. door de Red. niet aanvaard kon worden. Daaraan voegde hij nog toe: ‘Uw verzen zullen dus zooals die van ieder ander aan het U mede te deelen oordeel der red. onderworpen blijven’. Ik schreef rustig terug: 't Is mijn voorstel niet, integendeel, ik vond het schandelijk, dus doe mij 't pleizier, de vergissing even te signaleeren, zoodat ik dit deel van Uw brief als ongeschreven kan beschouwen’. Ik vroeg R.H. opheldering: ‘C. bedoelde natuurlijk dat zijn voorstel verworpen was’, schreef die. Antwoord van C.: ‘de red. stelt vast, dat in Uw laatste brief de in mijn vorige brief gestelde pretensie [lees: pretentie] niet gesteld wordt, acht daarmede de zaak afgedaan, en acht alle verdere corr. hierover overbodig’. En daartoe had R.H. mede gewerkt! Mijn antwoord: ‘R.H. had mij al geschreven, dat, enz. Het is mij niet duidelijk waarom de Red. er bezwaar in ziet, eenvoudig de vergissing te erkennen, maar aangezien de feiten nu toch in geschrifte vaststaan, is dat háár zaak en zie ook ik geen heil in verdere correspondentie hierover: het laatste briefje van mij - kon ik minder doen?89 - is klaarblijkelijk de eigenlijke onmiddellijke aanleiding voor de laatste stap. Wat zeg je daarvan?90

De verzen gaan nu hierbij.91 Het spijt mij, dat er zoo'n drukte over gemaakt is. Naar hun aard is er niets, dat zich er minder toe leent. Dat ik, ook wanneer Verwey of jij mij zoudt zeggen, er weinig voor te voelen, nooit zou toegeven, dat ik ongelijk had R.H.'s oordeel niet te aanvaarden is 1o omdat zijn oordeel over Verwey, mijn heele werk, enz. er niet naar is aan zijn bevinden eenige waarde te

[p. 38]



illustratie
Laatste gedeelte van de brief door P.N. van Eyck aan Aart van der Leeuw van 4 juni 1925 (verkleind)

[p. 39]



illustratie

[p. 40]

hechten, 2o omdat ik de poging van hem, die zonder eenig blijk van kritische bekwaamheid red. van De Gids geworden, niet praktisch aan zijn eigen oordeel over zijn verzen meer gewicht behoort te hechten, dan aan het mijne over de mijne, vooral niet nu hij weet, dat zijn meening door velen niet gedeeld wordt, aanmatigend vind.92 En nu ten slotte iets over de verzen. Zij vormen bijna ⅔ van ‘Voorbereiding’. Eerst dacht ik, dat zij deel zouden worden van een grootere bundel, maar na het schrijven van het 5e ged. der 3e afd. merkte ik, dat hiermede eigenlijk een apart bundeltje zich afgesloten had. Na deze verzen komt dus nog een derde afdeeling93 - elke afd. is een eenheid -, terwijl voòr De Boodschap, in de 2e afdeeling nog 2 kleine gedichten komen. Jacques, die ze onder het praten van een gezelschap94 van R.H. te lezen kreeg - een goede introductie! - vond hen banaal en zonder poetische ‘vondsten’. Inderdaad zijn het werkelijk verzen van Voorbereiding. De taal is er tot de grootst mogelijke eenvoud herleid, dat zul je wel merken. Wanneer je begint te lezen, lijken de eerste je misschien wat schraal, maar ik hoop, dat je spoedig zult zien, dat eenvoud hun noodzakelijk vormbeginsel is (van een vormbeginsel wou Jacques natuurlijk niets hooren.) Gedichten als I 3 of op een na het laatste95 zijn of zijn bedoeld te wezen enkel zingende, rhythmische stem, en wanneer ik daar iets van bereikt heb, dan heb ik het bewijs geleverd dat ik op het begin van een goede weg ben. Het is best mogelijk, dat mijn vers later weer meer in zich zal kunnen opnemen, rijker zal kunnen worden zonder zijn zuiverheid te verliezen, maar nu zijn de verzen niet anders geworden en ik zou hen (in beginsel,)96 niet anders willen. Jouw oordeel wacht ik met spanning en ik reken er op, dat je het mij eerlijk zult schrijven, ook als je bedenkingen hebt. Ik stuur tegelijk nog een paar boekbesprekingen, die ik je nog niet gezonden had. Vergeef mij, dat ik bijna uitsluitend over mijzelf geschreven heb. De omstandigheden brachten dat mee. Hart. gegroet, ook je vrouw, en namens de mijne, en schrijf een nieuwe van je altijd welkome brieven

 

je

PN vE

79Het is niet helemaal zeker, of er in het handschrift inderdaad ‘beeldenmaker’ staat.
80‘onderrand’ is eveneens onzeker.
81Zie hierover: G. Knuvelder, Van Eyck als essayist in Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde 2 (1954) nr. 4-5, p. 87-90; J.J. Oversteegen, Vorm of vent . Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen, 2e dr., Amsterdam, 1970. Diss. Univ. van Amsterdam. Daarin het hoofdstuk over Van Eyck, p. 308-338; H.A. Wage, De principes van Van Eycks literaire kritiek in Studia Neerlandica 1 (1970) nr. 1, p. 37-54.
82‘dat doe ik n.m. altijd!’ is interlineair toegevoegd.
83Thomas Carlyle, 1795-1881. Engels geschiedschrijver en essayist. Het begrip ‘fundamental brainwork’ neemt in de gedachtengang van Van Eyck een belangrijke plaats in bij de beschouwing van een kunstwerk. Zie Van Eycks opstel over Walter Pater, in VW 3, p. 366.
84In september 1923 was Van Eyck uitgenodigd om als poëziekritikus van De Gids op te treden. Hij begon dit werk in januari 1924 met een studie over Verwey, die hijzelf beschouwde als ‘een dichterlijke en kritische geloofsbelijdenis’ en waarin hij Verwey de plaats gaf, die hem volgens Van Eyck toekwam. Uit zijn Witte Mierpublikatie (zie noot 113) blijkt, dat Van Eyck van mening was, dat de redaktie van De Gids sinds dit openingsartikel niets voor zijn werk voelde. De verhouding tussen redaktie en medewerker bleef gespannen en vond haar ontknoping in mei 1925, toen Van Eyck voor verdere medewerking werd bedank. Van Eyck achtte zich onbehoorlijk behandeld en liet zijn verontwaardiging over deze kwestie niet onopgemerkt. In partikuliere korrespondentie en in publikaties, hij liet geen gelegenheid voorbij gaan om zijn visie op de toedracht en de achtergrond ervan kenbaar te maken. Ieder, die hij schuldig bevond moest het ontgelden, ook of beter juist A. Roland Holst, die als redakteur van De Gids én als vriend van Van Eyck een bijzondere positie innam in het geschil. Er ontstond een konflikt tussen hen, dat juist enigszins bijgelegd was, toen Van Eycks publikatie in De Vrije Bladen (zie noot 211) opnieuw een breuk veroorzaakte, die pas in 1929 zou worden geheeld. Zie briefw. Van Eyck-Marsman, p. 15, 18 en noot 8.
85H.T. Colenbrander, 1871-1945, sinds 1916 sekretaris van de Gidsredaktie; werd in 1918 benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis te Leiden.
86Eind december 1924 had Van Eyck ‘een aantal bij elkander horende gedichten’ ter plaatsing aangeboden. Tegen een deel ervan had Roland Holst bezwaar gemaakt. Na overleg werd de reeks niettemin, enige maanden later, in haar geheel geplaatst. Inmiddels had Roland Holst voorgesteld verzen van de poëzie-kritikus onbeoordeeld te plaatsen. De redaktie deed alsof dit voorstel van Van Eyck zelf uitging en berichtte hem, ‘in scherp geformuleerde bewoordingen’, dat zij het afwees. Van Eyck verzocht de redaktie de onjuistheid van haar onderstelling te konstateren. Daarop werd niet ingegaan. Zie VW 4, p. 651-652.
87Van Eyck heeft ‘ter wille van mijn proza’ achteraf toegevoegd.
88‘toen ik geen “schikking” wilde’, is interlineair toegevoegd.
89‘-kon ik minder doen?-’ is interlineair toegevoegd.
90De korrespondentie die Van Eyck in regel 80-101 bespreekt, werd door hem ook behandeld, maar dan veel uitvoeriger, in het Witte Mierartikel. Daarin vermeldde hij ook de datering van de verschillende brieven. Die is achtereenvolgens: 1 maart / 4 maart / 4 of 5 maart / 6 maart / 9 april / 6 mei (1925).
91De reeks gedichten was opgenomen in De Gids 89 (1925) II, p. 341-352:
VOORBEREIDING
I 1 Die kleine vlam in het duister
2 Oov'ral achter groene hagen
3 Toen kwam de vrede, onverwacht...
4 Tusschen de dag en de scheemring
5 Ik ging, in mijn hart het bewegen
II De Boodschap
1 Eens, lang geleden, heb ik u gezien
2 Gij hield u halvlings van mij afgewend
3 't Is stil. De lucht is leeg. Gij zijt gegaan
4 Het is voorbij, maar 'k weet, nog ééne keer
Ik zal nog met u wandlen
't Herfstlicht, op de vochte bronzen blaren glimmend

 

92Van Eyck was vermoedelijk de draad van de zin kwijt en beëindigde hem achteraf door ‘aanmatigend vind’ in te voegen.
93Een asterisk verwijst naar onderaan het blad, waar de volgende tussenzin geschreven is.
94Van Eyck heeft ‘onder een pratend ge’[zelschap van ...] veranderd in: ‘onder het praten van een gezelschap van’.
96‘in beginsel’, is interlineair toegevoegd.
prepostterug  begin  verder