terug  begin  verderprepost

L 6

Voorburg 7 Juni 1925

 

Beste vanEyck

Ik zal je maar eens heel gauw antwoorden op je brief en de toezending van je ‘Voorbereiding’. Hiermee stapel ik geen vurige kolen op je hoofd, want ik weet

[p. 41]

heel goed, dat je het druk hebt, en ik heb meer vrije uren dan me eigenlijk lief zijn.

Ik heb je verzen herhaaldelijk gelezen, en ze daarop mijn vrouw voorgelezen, die een zuiveren smaak heeft. De indruk was een weldadige. Eindelijk weer eens ongekunstelde eenvoudigheid, een simpele wedergave van rijke innerlijkheid. Ik was in een sfeer, waarvan ik nooit zoo volkomen als bij Goethe genoten heb, en waarlijk waren er verzen (zooals 2) die me even aan dien grootsen der meesters denken deden. Ja eindelijk weer eens eenvoudigheid en er zijn maar weinigen die begrijpen, hoe oneindig veel moeielijker het is om iets eenvoudig te zeggen, dan in een rede die doorspekt is met zgn. dichterlijke vondsten. Er moet ook veel in je veranderd zijn, dat jij, die vroeger toch vaak ook verzen schreef die te rollend en te retorisch waren, nu tot dit rustige klare bent gekomen. Misschien komt het omdat je gevoel puurder is geworden, en het geluk om in samenspraak met God te zijn, je woorden kariger en bedeesder heeft gemaakt. Wel is het hier en daar te merken dat je over dit nieuwe nog niet geheel en al meester bent. Eenvoud is òf verrukkelijk òf banaal, overgangen zijn er niet. Soms is een regel niet gespannen genoeg, za. [lees: zooals] bv. ‘Maar toch heb ik u dadelijk herkend’,97 en er zijn er wel enkele meer zoo. ‘Mijmrend... dwaal ik door de laatste druppels van de dauw’,98 lijkt me [nie]t juist gezegd. Dit kàn niet dunkt me. Ook niet het meervoud van ebbe,99 in je gevoel is er maar eén eb. Maar dit zijn kleine vlekken die je trouwens misschien niet eens als zoodanig zult willen accepteeren. Mijn hoofdindruk is dat dit werk behoort tot wat wij hard noodig hebben. Dikwijls denk ik dat deze tijd lijkt op dien waaraan Wordworth [lees: Wordsworth]100 met zijn heerlijk werk een einde maakte. Ook voór hem eenzelfde

[p. 42]

gekunsteldheid, vol groote woorden die een koud, arm levensgevoel moesten bedekken, en mèt hem dat simpele nieuwe lied vol natuurvreugde en zuiverheid dat e[ers]t bespot werd, maar toen tot een geluk voor de wereld is geworden.

Het verbaast me volstrekt niet, dat Bloem en RHolst zich tegen je werk verzetten. Ik houd van Jacques poezie om haar warmte, maar eenvoudig is ze niet, en kan dit ook niet zijn, omdat alle licht ontbreekt. Bij eenvoud hoort licht. Licht maakt Jacques kregelig, en dit zal het Holst ook wel doen, want wat hij zoo nadrukkelijk in zijn verzen probeert te zeggen is niet anders dan donkere bloemen vruchtlooze levensontkenning. Ik herinner me nog dat Jacques me jaren geleden eens zeide, dat hij de verzen van Goethe eigenlijk ulevellenpoezie vond, en dat Holst dat gevoelen volkomen deelde. Lees het verrukkelijke ‘Vermächtnis altpersischen Glaubens’ nog eens na, en weeg dan hun oordeel.

Overal kraait tegenwoordig het groote woord victorie. Wie ter wereld kan een meestal machtelooze turner (gewichtentiller)101 met de fraze als Rilke, boven den simpelen diepen George stellen? En toch gebeurt het overal. Hoe lang nog? vraag ik je na.

Ik ben op de bibliotheekgids geabonneerd, dus ik bezit je symposionrede.102 Ik vind dit een in alle opzichten uitstekend stuk. Ja zoo bedoel ik het. Ik geloof niet dat ik deze rede als geheel dáarom boven je andere critische essays stel omdat je je gedachten begrijpelijker hebt gemaakt maar meer dáarom, omdat je er meer een kúnstwerk van hebt gemaakt. In je voorrede van Platoon (een wijsgeerig stuk) accepteerde ik je fundamental brainwork graag, maar wat letterkundige kritiek aangaat, ik ben het eens met de in Verwey's rede [aan] gehaalde verzuchting van Flaubert ‘wanneer zal de criticus een kunstenaar zijn, niets als een kunstenaar, maar waarlijk een kunstenaar’.103 In je tafelrede, ben je in die fijne vervlechting van Sokrates en zijn tafelende vrienden met Verwey en zijn dischgenooten een goed kunstenaar geweest terwijl toch ook je diepste bedoelingen klaar en duidelijk aan den dag konden komen. In je andere critieken word ik daárdoor niet volkómen bevredigd, dat alles mij duidelijk is geworden, en mijn eigen verlangens en gedachten door een gelijkgezinde indringend zijn uitsproken [lees: uitgesproken]. Er blijft nog iets te wenschen over. En dit ligt op het gebied van de schoonheid.

Wat had ik een schik in je boy die father of the man was. Toen ik je stuk over Boutens' Louise Labé las, kwam me opeens dat andere stuk zoo duidelijk in de gedachten, dat het was of ik het weer overlas. Hád ik het in werkelijkheid over-

[p. 43]

gelezen dan had ik je naam wel gezien, of althans je stijl herkend. Waarom ik zoo vast dacht dat het van Verwey was, begrijp ik nog niet. Dat ‘broederlijk’ was goed.104

En nu die Gidsaffaire. Een lamme geschiedenis. Dien dag nadat Jacques bij ons was, kreeg ik een indruk, die me tegen mijn vrouw deed zeggen: ‘als ze hem maar niet uit de Gids werken’ [.]+ En toch had Bloem me niets van de strubbelingen betreffende je gedichten verteld. Wat daarmee gebeurd is, weet ik dus niet. Ik kan me begrijpen hoe die behandeling je gegriefd heeft, en ook dat het je een tijdlang te moede moet wezen, of je werk je uit de handen genomen is. Maar misschien is het tegendeel waar, en is dit noodig geweest om je tot dingen te prikkelen, waar je anders den tijd nog niet gekomen voor zou achten. Iemand die met iets goeds en nieuws begint, krijgt altijd dergelijke dingen voor de voeten geworpen. Je bent niet iemand geloof ik om den moed te verliezen.

Schrijf me ook eens wat Verwey van je Voorbereiding vindt. Me dunkt dat ze hem ook wel zal bevallen. (Vanaf Zaterdag 13 Juni tot 15 Juli is mijn adres ‘de Keet’ Hierden Gelderland.)

Je beiden hartelijk ook door mijn vrouw gegroet

 

je

AartvdL

97Dit is een regel uit het gedicht Eens, lang geleden, heb ik u gezien . Van Eyck heeft haar gehandhaafd in de eerste druk van Voorbereiding .
98Deze twee regels zijn uit 't Herfstlicht... De drie punten, die Van der Leeuw achter ‘Mijmrend’ schrijft, staan voor:’, langs de zacht begraasde paden,’. Van Eyck heeft dit gedicht vrij ingrijpend gewijzigd en deze regels in de eerste druk veranderd in: ‘Mijmrend dwaal ik over zacht-begraasde paden,
Langs de dunne heggen, door de dauw’.
99‘Ebben’ staat in de derde strofe van Eens, lang geleden, heb ik u gezien, en in de tweede van Gij hield u halvings van mij afgewend. Het eerste ‘ebben’ heeft Van Eyck gehandhaafd, het tweede heeft hij veranderd in ‘water’. Zie ook de brief van Van Eyck van 4 augustus 1925.
100William Wordsworth, 1770-1850. Engels dichter, bevriend met Coleridge. Hij is in de eerste plaats wijsgerig dichter, die terugkeerde tot het gebruik van gewone taal. Zijn stijl - hij was een meester van het ‘blank verse’ - en zijn ideeën beïnvloedden o.m. Hunt, Keats, Shelley, Byron. In de inleiding van Lyrical Ballads van 1798, die hij samen met Coleridge schreef, keert hij zich tegen retoriek en houdt een pleidooi voor eenvoudige en heldere taal. ‘[...] the following poems [...] were written chiefly with a view to ascertain how far the language of conversation in the middle and lower classes of society is adapted to the purposes of poetic pleasure. [...]. It will perhaps appear to them (= readers of superior judgment], that wishing to avoid the prevalent fault of the day, the author has sometimes descended too low, and that many of his expressions are too familiar, and not of sufficient dignity’. Zie: Lyrical Ballads, Ed. R.L. Brett and A.R. Jones, London, 1963, p. 7.
101‘gewichtentiller’ is als verklaring boven ‘turner’ geschreven.
103Bij zijn aanvaarding van het Leidse professoraat sprak Verwey op 14 januari 1925 een rede uit, Van Jacques Perk tot nu, die bij C.A. Mees te Santpoort uitgegeven werd. Verwey citeert daarin Gustave Flaubert uit de Estetica van Benedetto Croce. Het hierin aangehaalde fragment is afkomstig uit een brief van Flaubert aan George Sand; zie: G. Flaubert, Lettres à George Sand, Paris, 1884, p. 81. De brief is gedateerd 2 februari 1869.
prepostterug  begin  verder