terug  begin  verderprepost

E 4

machineschrift, met de pen verbeterd; 112

papier zonder gedrukt briefhoofd

 

4 Augustus '25

 

Beste van der Leeuw,

Ik mag je wel met Eoos' rood op mijn vale kaken naderen, zoo ben ik weder in gebreke gebleven. Je vindt Eoos dan ook misschien niet juist gekozen. De zaak is dat ik zoo juist de nacht der beslommeringen ontrijs en de verbinding van schaamte en morgenrood dus nog al voor de hand ligt, vooral nu de schaamte vruchtbaar is en dus onmiddellijk overwonnen wordt. Ik wil maar zeggen, dat ik natuurlijk eerder had moeten schrijven, maar ik kon er niet toe komen voor ik mijn geschrift over de Gidsredactie113 klaar en de deur uit had. Het ligt er nu

[p. 47]

nog wel, maar klaar. Verder moet ik, waar ik persoonlijk wat op tegen heb, met de machine schrijven, omdat mijn vulpen kapot is, en de tweede dienst weigert. Ik ben dus niet goed geoutilleerd. Jij bent intusschen de winner, want je zult mij gemakkelijker kunnen lezen. Je beide brieven waren mij natuurlijk heel welkom. Het doet mij ook veel genoegen dat je opgefrischt in de stad bent teruggekeerd. Ik zelf hoop je voorbeeld half Augustus te volgen. Wij gaan naar Lynmouth en Lynton, waar wij heerlijk binnenland en een fraaie rotsige kust tevens kunnen genieten. Wanneer ik nog iets van je hoor, hoop ik je van daaruit weer te schrijven. Ik snak naar de vacantie en verheug mij (met vrees en beven) op dat komend genot. De vrees en het beven zijn volgens Paulinisch voorschrift,114 en om aan de gevolgen van hybris te ontsnappen. Ook ik heb de bloemlezing van Coster ontvangen. Hij had mij twee andere gedichten uit Inkeer er bij gevraagd. Ik zei echter dat ik die keuze nu de ingang uitgebreid werd, niet als representatief erkennen kon, en niet geloofde verplicht te zijn aan wat ik een vervalschen van het beeld mijner persoonlijkheid acht, door mijn toestemming te geven mede te werken, vooral daar de bloemlezing veel gelezen wordt en alles wat Coster schrijft door sommigen als zoete koek geslikt wordt. Ik schreef, dat zonder de Epiloog bijvoorbeeld de keus niet goed kon worden. Zooals je ziet heeft Coster toegegeven - eigenlijk vreemd - en de Epiloog staat er in. Een veel verbeterde lezing;115 zooals je erkennen zult wanneer je deze tekst vergelijkt met die van de bundel. Met sommige verbeteringen, die van IV bijvoorbeld, ben ik erg in mijn schik. Alle tranen zijn verdwenen. Verder stuurde ik Coster een half jaar geleden al een hoop opmerkingen over zijn beweringen over ons. Hij heeft daar heel wat van gebruikt, hoewel niet alles. Allerlei dwaasheden zijn daardoor verdwenen. Ook de karakteristiek van mijn werk is veel beter geworden - de eerste druk zag alleen de melancholie116 -, al zijn er allerlei fouten in gebleven. Met alle geweld wou hij Inkeer laten voorgaan, hetgeen juist hier natuurlijk innerlijk een anti-climax maakt. Dat is typisch Coster. Wat hij over die ‘stoicische [lees: stoïsche] hymne’117 zegt klinkt allemaal heel mooi, maar is dat nu juist? Kan men twee gedichten, ik bedoel het eerste en het derde van de bloemlezing stoisch noemen wanneer de conclusie is als beide slotregels uitdrukken?118 In ‘geluk’ begrijpen: is dat stoisch?

[p. 48]



illustratie
Uit de kopij voor de bundel ‘Inkeer’ (1922) door P.N. van Eyck

[p. 49]

De karakteristiek van jouw werk heeft, als altijd bij Coster, goede punten, maar is in andere en in zijn geheel niet juist. Heb je zijn uitvoerige kritiek over je proza in de Stem gelezen,119 waar hij met zoo veel behagen telkens het woord ‘effleureert’ over zijn plooiende lippen heenlispelt? De zaak is dat Coster die zelf geen creatief kunstenaar is, als bijna altijd met zulke menschen gebeurt, begonnen is, terwijl hij de oogen starend naar onze onmiddellijke voorgangers, Boutens en Henriette Holst gericht had. Ons geslacht heeft hij later moeten ontdekken. Dat is natuurlijk een heel ding, een kerel uit een stuk is Coster mijns inziens niet, en zoo ontdekt hij ons wel, maar waardeert ons voorloopig enkel ongeveer van af het eerste boek waar hij het eerst iets in gezien heeft. Zie zijn stukje over de Haan.120 Een paar jaar geleden nog had ik mij voor hem door mijn stuk over Carmina121 aan de grootste schanddaad der heele Nederlandsche literatuur van alle tijden schuldig gemaakt. Gossaert was de geniaalste imitator der wereldliteratuur enzoovoorts. Coster is dus voortdurend in evolutie, maar die evolutie is bij hem een inhalen,122 en dat geeft haar natuurlijk een bedenkelijk karakter. Het gekke is dat juist hij zich de naam van een betrouwbaar kritikus verworven heeft, terwijl hij in werkelijkheid123 grillig is en ik betwijfel of hij tot een nauwgezette analyse van één dichter over zijn heele werk in staat zou zijn. Dat alles maakt het ook voor mij moeilijk met De Stem te beginnen. Dat zou zeker mislopen, vrees ik. Coster kan ook nog altijd niet af van het idee dat noch Boutens noch Henriette Holst eenige vormende invloed op ons gehad hebben, al oefende Boutens een klein beetje uiterlijke en voorbijgaande invloed bij een enkele. Nu, in deze voorrede, schrijft hij dat die accentueering van ons gebruik van de volzin eigenlijk onjuist is omdat

[p. 50]

onze voorgangers dat ook deden.124 Ook hier zit een vergissing. Verwey zegt het in dat zelfde stuk:125 het verschil zit hem hierin dat de volzin bij eenigen onzer aangeboren, primair was, terwijl zij dat bij de oudere ‘gebondenen’, voor zoover zij werkelijk op deze wijze de volzin hanteerden,126 niet was. Zoo zou men kunnen doorgaan. Ik vind het wel jammer dat ik mij niet eens over het boek principieel heb kunnen uitspreken. Het zou een uitnemende gelegenheid geweest zijn, om mijn denkbeelden over de ontwikkelingsgang van onze poezie gedurende een kwarteeuw eens in het kort te beschrijven. Dat ik Coster, toen ik hoorde dat er een tweede druk zou komen en ik over de eerste toch niet meer schrijven kon, eenige opmerkingen zond, was juist om een bloemlezing als deze zoo goed mogelijk te doen wezen, en tevens te doen zien, dat er bij mij geen rancune was over die vroegere, alles wel beschouwd eigenlijk toch wel schandalige dwaasheid naar aanleiding van mijn Carmina bespreking. Als ik zie wat hij gewijzigd heeft heb ik geen spijt. Ware de breuk met De Gids niet gekomen dan had ik mij nu heelemaal tot hoofdzaken kunnen bepalen.

Je oordeel over mijn poezie heb ik met plezier gelezen. Dat over vroeger werk behoef je niet toe te lichten. Men spreekt altijd over dat befaamde debat over rhetoriek,127 maar vergeet dan gemeenlijk, dat ik mij in mijn stuk met hart en ziel tegen rhetoriek verzette. Ik zag níet dat mijn werk in die mate rhetorisch was, en had een hekel aan rhetoriek. Ik zie nu natuurlijk zeer duidelijk, wat de zwakke rhetorische elementen in dat vroegere werk waren. Wanneer ik mijn definitieve uitgave maak,128 waarin de eerste vier boeken één deel zullen vormen, zeer gedund natuurlijk, en de Gedichten van de Wereldbibliotheek, d.w.z. Het Ronde Perk, Lichtende Golven, Inkeer en Voorbereiding, een tweede cyclus, zal ik vooral de eerste bundels zeer moeten zuiveren. De Sterren wordt heelemaal herschre-

[p. 51]

ven,129 en een derde van wat het nu is. Wat nu mijn laatste verzen betreft, je detailopmerkingen heb ik ter harte genomen en voor ik hen in boekvorm uitgeef worden zij nog eens of meermalen aan zorgvuldige behandeling onderworpen. Over de mogelijkheid van dwalen door de laatste druppels van de dauw langs begraasde paden kan geen twijfel bestaan, want het was zoo. Alleen moet je je misschien voorstellen, dat de paden niet werkelijk gebaande paden waren, maar de door mij steeds opnieuw over die heuvels gevolgde lijnen die voor mij de ‘paden’ over die plek zijn. Misschien onderstelt dit te veel? Ik zal er over denken.130 Je opmerking over ‘ebben’ maakte Verwey naar aanleiding van het tweede van De Boodschap ook en daar voel ik veel voor, hoewel ik er in het eerste geen bezwaar tegen heb. Verwey's oordeel heb je inmiddels gehoord. Hij vond hen zuiver tot het doorzichtige, een teruggaan naar veel vroeger dan enkel de door Holst en Nijhoff vertegenwoordigde nabloei van De Nieuwe Gids en een gevaar voor alles wat in de poezie, als zij, ‘einde’, maar niet ‘oorsprong’ is. Ik knoop echter niet bewust aan eenige Nederlandsche dichter aan en ik moet Verwey nog vragen aan welke vroegere Nederlandsche dichters hij hier denkt. Verzen heb ik niet meer geschreven. Dit jaar alleen het ééne kleine laatste van Voorbereiding,131 aan welk bundeltje overigens nog het een en ander ontbreekt. Ik moet maar weer wachten, al had ik Voorbereiding wel graag heelemaal afgehad. Ik heb verder alleen van Gossaert woorden van groote waardeering ontvangen, te meer verrassend, aangezien hij eigenlijk nooit meer leest en mijn laatste werk heelemaal niet kent.132 Ik stuur je gelijk hiermede op een na het laatste Gidsstuk133 toe. Volgende maand komt dat over De Vries,134 en daarmee ben ik klaar. Prettig vind ik het dat ik die van de jongeren, waar ik werkelijk wat over te zeggen had, behan-

[p. 52]



illustratie



illustratie
Korrespondentiekaart door Geerten Gossaert aan P.N. van Eyck

[p. 53]

deld heb. Ik bedoel jongeren dan wij. Besnard wordt door Coster weer karakteristiek verkeerd achteringezet135 terwijl hij bij ons hoort. Over het stuk van [lees: over] de Vries ben ik erg tevreden. Het is geloof ik een van mijn beste en dus een goed einde. Heb je gehoord dat Nijhoff het werk van mij overneemt?136 Ik ben benieuwd wat je zeggen zult van mijn [in] September verschijnend stuk ‘De Redactie van De Gids en haar Kritikus voor Poezie’. Ik heb lang geaarzeld voor ik tot publicatie overging, maar de behandeling was zoo, dat ik het mij aan mijzelf verplicht achtte. Het is goed dat duidelijk uitkomt, wat men van de Gidsredactie voor de literatuur te verwachten heeft. Bovendien bereiken mij de gekste voorstellingen over het conflikt, die de andere partij verspreidt. Jacques heeft niet de moeite genomen mij ook maar éénmaal naar mijn opinie te vragen. Ik vrees dat ik eind van dit jaar heel wat kennissen en zelfs vrienden minder zal hebben, want de menschen die mij ter harte gaan, zullen eenvoudig toetegeven hebben dat De Gids en Holst mij minderwaardig behandeld hebben. Het is een feitelijke kwestie, zooals je zien zult, en dus een van eerlijkheid. En nu, waarde vriend, moet ik een brief voor de Rotterdammer gaan schrijven. Heb je de kritiek van Nijhoff over Huitz [lees: Huyts] gelezen.[?]137 Het oordeel is all right, neem ik aan, maar onbehoorlijk is het zes maal te verscherpen door de vorm van een persoonlijke brief, waarin de dichter voortdurend als individu naar voren gedwongen wordt.138 Ik vind in die brief iets onbeschofts omdat hij alle hoffelijkheid die een brief als deze vooronderstelt ten overvloede mist. Schrijf nu gauw over je doen en welbevinden en ontvang met je vrouw en namens de mijne, mijn beste wensen en hartelijke groeten

 

je toeg.

van Eyck

 

Onder de brief is doorgehaald wat erboven geschreven is:

13-20 Aug. Lyn Valley Hotel, Lynmouth

20 Aug., enz. North Cliff Hotel, Lynton beide North Devon.

 

In de marge aan het begin van de brief heeft Van Eyck geschreven:

Hart. dank aanbod Begroetingen. Ik had het helaas al gekocht en hoop het in vacantie te lezen.

112Verschrijvingen, al dan niet verbeterd, die kennelijk toegeschreven moeten worden aan het typen, zijn niet overgenomen, noch verantwoord. Dit geldt ook voor alle andere getypte brieven. Na leestekens typte Van Eyck zonder extra spatie verder. In de transskriptie is de spatie wel aangebracht.
113Getiteld De redactie van De Gids en haar kritikus voor poëzie. Dit stuk verscheen in De Witte Mier, september 1925, p. 313-336. Het is niet opgenomen in het VW; daarentegen wel het artikel in De Vrije Bladen, dat zich, zijnde van algemene strekking, bevond onder de door Van Eyck voor een verzamelde editie klaargelegde teksten. De redaktie van De Gids gaf als reden van het ontslag op, dat Van Eycks kronieken de overeengekomen omvang en hoeveelheid zouden hebben overschreden en dat ze geen werkelijke kronieken maar ‘verhandelingen’ zouden zijn geweest. De korrespondentie die op dit ontslag betrekking heeft, heeft Van Eyck met uitvoerig kommentaar in zijn geschrift gepubliceerd. Waarom ging hij tot publikatie over? ‘Ik doe dat, schrijft hij op p. 315, om aan hen die mijn werk gevolgd hebben, te laten zien, waarom en op welke wijze dit na slechts anderhalf jaar plotseling gestaakt moet worden; in de tweede plaats om te voorkomen dat belanghebbenden, gelijk reeds geschied is, onjuiste of onvolledige voorstellingen verspreiden die ik, in het buitenland woonachtig, niet verbeteren kan; in de derde plaats omdat het zeer zeker algemeen belang heeft te doen uitkomen, met welke beginselen en volgens welke methoden in De Gids de belangen van onze literaire kunst behartigd worden. Het is, ik ben mij daarvan bewust, een ongewone publicatie, die echter in het ongewoon karakter van het optreden der Gidsredactie haar rechtvaardiging vindt’. Van Eyck weerlegde de motieven van de redaktie, waarvan hij bovendien betoogde, dat het eigenlijk maar nevenmotieven waren. Als werkelijke beweegreden voor de bedanking zag hij, dat de redaktie het met de geest van zijn bijdragen niet eens was.
114Zie: Hebr. 12:21.
115Epiloog maakte deel uit van de bundel Gedichten, p. 95-100; zie ook VW 1, p. 255-260. Het gedicht is genummerd I t/m VI. Voor de tweede druk van Nieuwe geluiden heeft Van Eyck er de nodige veranderingen in aangebracht. In IV, de tweede strofe, heeft hij ‘snikken’ vervangen door ‘stilte’. De laatste regel van IV, ‘Maar vond geen tranen meer voor haar geween’, is gewijzigd in ‘Het grauwe weerbeeld van zich zelf alléén’.
116‘-de eerste druk zag alleen de melancholie-’ is toegevoegd.
118De slotregels luiden respectievelijk: ‘En berustend prijst hij 't zwáre leven schoon’ en ‘Nochtans zijn grootheid, in geluk, begrijpt’.
119In De Stem 5 (1925) II, p. 589-596 schreef Coster in een artikel Twee droomers over Frans Erens en Aart van der Leeuw. Over Van der Leeuw vooral n.a.v. diens Vluchtige begroetingen .
120Van Eyck doelt op de passage over De Haan in de Inleiding van Nieuwe geluiden .
121Van Eyck publiceerde in De Beweging, oktober 1912, p. 87-99 (zie ook VW 3, p. 414-428) zijn geruchtmakende artikel over Boutens' bundel Carmina, waarin hij afbrekende kritiek leverde op de nieuwe verzen van Boutens. Hierover en over de vermoedelijk ‘biografische’ achtergrond zie: K. de Clerck, P.N. van Eyck contra P.C. Boutens in De Vlaamse Gids 43 (1959), p. 129-135. Zie ook van dezelfde auteur: Uit het leven van P.C. Boutens, Amsterdam, 1964, p. 108 e.v. ‘Een paar jaar geleden nog...’ slaat op Costers bijdrage aan De nieuwe Europeesche geest in kunst en letteren, Arnhem, 1920.
122Ook Marsman spreekt een dergelijke gedachte uit in Coster en wij in De Vrije Bladen 5 (1928), p. 33-36 n.a.v. diens depreciatie van Herman van den Bergh: ‘... de werkelijk moderne poëzie werd door hem éérst niet gezien, toen (schoorvoetend) aanvaard, en half misgezien; want geen dichter is meer representatief voor de hollandsche moderniteit dan Van den Bergh, en geen dichter wordt, nog onverminderd, door Coster (e.a.) zoo verminkt en verkeerd gezien, gewaardeerd en geplaatst’. Geciteerd naar L. Mosheuvel, Over de historische context van ‘Prisma’ in Stud. Neerl. 1 (1970) nr. 3, p. 79.
123Van Eyck typt ‘in werk e//lijkheid’ en verandert dit achteraf in ‘in werk ei-//genlijkheid’, wat vermoedelijk een vergissing is.
124Coster zegt op p. VIII van zijn Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst, waarmee hij Nieuwe geluiden opent: ‘De snelle schijn-volmaaktheid, de reeds dadelijk vol-wassen volzin waardoor sommige dichters van deze groep zich onderscheidden, kon slechts het resultaat van savante navolging en assimilatie zijn, of liever nog het resultaat van den natuurlijken drang, mede te ademen op de rythmen van hen, die rijper reeds waren dan zijzelven en toch hun door den tijd verwant’.
125Coster refereert in hetzelfde stuk aan ‘het bekende manifest’ van Albert Verwey, ‘waarin hij de overwinning van “den volzin” constateert,...’. Dit manifest is De richting van de hedendaagsche poëzie (zie Proza II, p. 37-55). Verwey konstateert daarin o.a.: ‘De volzin op zichzelf, en daarmee een element, niet enkel van poëzie, maar zeer bizonder van welsprekendheid, is hem [= de jongere dichter] - in onderscheiding van zijn voorgangers - als aangeboren. Ik wil hier, als op het duidelijkste voorbeeld, op de poëzie van Van Eyck wijzen’ (p. 52). Dit is zo ongeveer het tegenovergestelde van wat Coster beweert in het citaat van noot 124.
126‘voor zoover zij werkelijk op deze wijze de volzin hanteerden’, is interlineair toegevoegd.
127Zie voor een chronologisch overzicht van dit debat: J. Kamerbeek jr., Albert Verwey en het nieuwe classicisme, Groningen, 1966, met name p. 2, noot 3. De teksten zelf kan men vinden in: J.C. Bloem. Verzamelde beschouwingen, 's-Gravenhage, 1950.
128Tot het realiseren van zo'n uitgave is Van Eyck zelf nooit gekomen.
131Van Eyck bedoelt het gedicht Lente nabij nu .
132Als reaktie op Van Eycks verzen in De Gids (zie noot 91) schreef Gossaert de volgende briefkaart, die berust in het Letterkundig Museum. Querculus is een speelse naam, waarmee Gossaert Van Eyck aansprak.
Juni 1925
Beste Querculus,
Ik heb zoo even de verzen in de Gids gelezen. Prachtig - of beter: meer dan dat. Nu zijt ge er geloof ik. Ze hebben mij onmiddelijk getroffen en diep getroffen en als louter als poëzie getroffen. Ik ben er erg verheugd over; ben wel eens gaan twijfelen of ge er door zoudt komen naar de absolute poëzie. Misschien zijn er reeds meer geweest onder 't werk van de laatste jaren.
Doch, in elk geval: ik heb ze niet gezien wat niet veel zegt, daar ik je latere werk niet serieus ken. - Hoe dit zij, ik heb thans weer direct contact.
als steeds
Yours sincerely Carel Gossaert
133Het artikel over A. Besnard verscheen in De Gids van augustus 1925 (serie Nederlandsche Poëzie); zie ook: VW 4, p. 452-465.
134 Hendrik de Vries in De Gids, september 1925; VW 4, p. 466-482.
135Zowel in de eerste als in de tweede druk van Nieuwe geluiden staat Besnard temidden van dichters als Henri Bruning, Albert Kuyle, Herman van den Bergh, Hendrik de Vries.
136Per 1 januari 1926 werd M. Nijhoff redakteur van De Gids en bleef dat tot 1934. Daarna was hij het nogmaals van 1941 tot 1946.
137In de N.R.C. van 1 augustus 1925 stond deze kritiek van Nijhoff, getiteld Johan Huyts, Aan den ondergang . Dit stukje is niet opgenomen in Nijhoffs Verzameld werk .
138‘als mensch naar voren gehaald wordt’ heeft Van Eyck veranderd in: ‘als individu naar voren gedwongen wordt’.
prepostterug  begin  verder