terug  begin  verderprepost
[p. 54]

L 8

Voorburg 27 Augustus '25

 

Beste vEyck

Ik zal maar dadelijk met de deur in huis vallen, anders begrijp je niets van bijgaande geschriften. Een Engelsche nl die al jaren in Holland woont en onze taal goed kent, heeft Vl Begroetingen vertaald. De overzetting lijkt mij niet kwaad, er zit dunkt me ritme in. Maar ik matig mij niet voldoende kennis van het Engelsch aan, om in mijn eigen oordeel te vertrouwen. Zou je me het plezier willen doen, deze stukjes, die ik als specimen zend, eens in verband met het oorspronkelijke te willen nalezen, en je opinie erover te zeggen? Heel graag. Als ook jij haar werk goedkeurde, zou de vertaalster (en ook ik trouwens) deze schetsjes graag uitgegeven willen zien. Weet jij misschien een weg hierin? Ken je soms uitgevers, of weet je er tot wie men zich met eenige kans op succes wenden kan? Ik sta op deze gebieden als een kat in een vreemd pakhuis. Dankbaar zal ik je zijn voor elke aanwijzing.

Dezer dagen komt zeker je brochure over de Gidsredactie uit. Ik ben er verlang[en]d naar haar te lezen, temeer omdat ik nog niet alles van deze zaak weet (bv. niet wat de eerste aanleiding was). Ze hebben naar een stok gezocht, dunkt me, en de dichtsbij staande, al een heel onbehouwen knuppel, ter hand genomen. Een konflikt was op den duur, hoe dan ook, niet te vermijden, een konflikt met ‘een tijdschrift, dat noodzakelijkerwijs in de achterhoed[e]+ zijn centr[u]m heeft’, zooals Verwey me schreef.

Ik bracht een prettig bezoek bij Verwey. Kinderlijk gelukkig was hij, dat het met zijn professoraat zoo goed vlotte. Dat hij niet genoeg waardevols te geven had, daar zal hij wel nooit bang voor geweest zijn, maar de burgerman in hem (die niet brutaal maar bedeesd is) had blijkbaar erg tegen de omgang met de studenten opgezien. Ze schijnen hem met voorkomendheid tegemoet te zijn gekomen. Veel hadden we het natuurlijk ook over jou, in je moeielijke positie. Typisch toch dat de richting Roland Holst-Nijhoff weer zoo'n terugzwenking naar den begintijd van de N.G. is geweest. Vandaar zeker ook, dat weer omhoogheffen van vDeyssel,139 die in den Bewegingstijd toch vrijwel afgedaan had. Ik herinner me nog heel goed, dat mijn eerste indruk over Nijhoff's Wandelaar140 er een was van verbazing over de ouderwetschheid van onderwerp en behandeling. Ik voelde me opeens naar mijn jeugdjaren terug gevoerd. Vergeet niet dat ik op mijn dertiende jaar al een volbloed Nieuwegidser was, en dus den bloeitijd van de NG met hart en ziel persoonlijk heb meegemaakt. Ik heb dus aan den lijve

[p. 55]

ondervonden wat het te beteekenen had om als Beweger wedergeboren te worden. En toen weer opeens dat teruggaan naar vroeger in Nijhoff RHolst en meer anderen. En dus nu de reactie aan het roer, tenminste in de Gids. Trouwens waar niet? Daar heb je nu Coster. Ik had in lang niets van hem gelezen (behalve dan zijn voorrede Nieuwe Geluiden) maar nu las ik zijn critiek over Vl. Begr.141 Daargelaten of zijn oordeel juist is, lijkt zijn stuk me toch erg poovertjes. Vooreerst wat een slechte stijl. ‘die een voortdurend gevaar is voor AvdL, ook hier weer voortdurend tracht..’ ‘Doch enkele dier prozagedichten, zijn van zoo eenvoudige, lichte en zwierige bekoring, dat zij onze litteratuur met enkele edele fragmenten..’ Hij spreekt een beetje smalend over mijn allerzorgvuldigste (of zoo iets) stijl,142 maar een zorgvuldige stijl is toch het allereerste wat van een kunstenaar geeischt moet worden. Die schrijverij van Coster kenmerkt zich door slordigheid. Bovendien door gebrek aan ritme. Dit kwam al uit in zijn marginalia.143 Leg er de Brune's Bankketwerk144 (daar ben ik dol op)145 eens naast! ‘Geen creatief kunstenaar’ noem je hem. Maar wat is dat eigenlijk? Het wonderlijkste toch nog van zijn beoordeeling vond ik die beschouwing over den leugen. De natuur eigenlijk een opvreterij enz. Hij had zeker liever dat kunstenaars zich aan de zgn. feiten hielden. Misschien zou hij zelfs zoover willen gaan, om mijn doofheid, mijn slechte gezondheid enz. de waarheid te noemen, en mijn geluk over het bloeiend aanschijn der dingen een waan? Een fraai praatje om bij dichters mee aan te komen, al geeft hij ze dan nog op het einde met een goedig op de schouderkloppen en een knipoogje gelijk.146 Nee zoo is het wel, met de Stem te

[p. 56]

beginnen, zou alleen maar een begin van een einde blijken te zijn. Daar is niet de pittige, frissche lucht, die je noodig hebt.

Dank je wel voor je toezending van je Besnardkritiek. Een heel goede. Krijg ik de Vries ook. Prettig. Nu in September komen er gedichten van me in de Gids.147 Jij leest hem zeker geregeld? Ik vraag nooit overdrukjes.

O ja, mijn bezwaar tegen het ‘dwalen door de laatste druppels van de dauw’ is anders dan je meent. Ik heb iets tegen het woord ‘laatste’ in verband met ‘dwalen.’ Dwalen is iets waardoor het idee van een zekeren duur en afstand gewekt wordt, terwijl de ‘laatste’ droppen van de dauw op een veel enger begrensden plek en korter tijdstip wijzen. De twee woorden gaan niet samen, sluiten elkaar min of meer uit.

De verbeteringen in je Epiloog had ik ook opgemerkt. Ja de verzen winnen er zeker bij. Dat nu tenslotte Costers Inleiding een vrij goed stuk is geworden, heeft hij dus voor een groot deel aan je opmerkingen te danken. Wat je in je brief over Coster zegt lijkt me heel juist. Trouwens is die achterafsche waardeering van ons Bewegers wel echt? Dat hij Nijhoff en RHolst en ook Jacques bewondert vind ik te begrijpen maar niet dat hij iets voelt voor jou, Gossaert, de Haan en mij. Hij de Dostojewskiheraut, die zoo bij uitstek onbezonnene! Mij verwijt hij bleeke bezonnenheid. Geen wonder. Heel mijn wezen is een protest tegen het zijne. Ik vind een tentoonstelling van hartstochten een verlaging van de kunst. (spreken uit de passie[v]e staat waar het edelste gezegd moet worden). Ken je Stifter? (iemand die zijn tijd nog zal krijgen). Wat hij in zijn voorrede van ‘Bunte Steine’148 over het kleine en groote beweert daarmee ben ik het absoluut eens.

[p. 57]

Nooit is er iets mij zoo tegens gezegd als vDeyssel's ‘Kunst is passie’.149 Kunst is bezinning zou beter zijn. Hoe minder konflikten in dichtarbeid, hoe weldadiger. Bij Verwey voel je ook meestal het overwonnen zijn van de konflikten, rust na zegepraal, zelden het er middenin staan. Dat is ook het mooie van jouw laatste gedichten. In Nijhoff[,]+ RHolst150 en Jacques niets dan passie en strijd die nooit opgelost[,]+ nooit beslecht zullen worden.

Ja, Jacques - zijn houding tegenover jou is er alweer geen waar je verwonderd over hoeft te staan. Om jouw opinie te vragen kostte hem waarschijnlijk te veel moeite. Ik heb hem altijd graag gemoogd. Hij is beschaafd, geestig en hartelijk. Maar over zijn vriendschap (hoe warm hij er ook altijd van getuigde) heb ik mij nooit illuzies gemaakt. Zoover kameraadschap hem aangenaamheid en behagen geeft [is] het goed; maar hij is iemand die nooit een voet voor een vriend zal verzetten als die voet er geen lust in heeft, laat staan dan dat hij ooit een droppel bloed voor hem over zou hebben.151 Zoo ging het ook met Besnard, een kleine voorrede kon hij nog net voor hem schrijven,152 maar met aandacht de gedichten

[p. 58]

te lezen was al te veel van de vriendschap gevergd. (Ik ga hier af op jouw noot, want het bundeltje in kwestie heb ik niet gelezen).

Van lezen gesproken, ik heb op het oogenblik de preeken van Donne153 onderhanden. Al dat wormgewemel mondt mij natuurlijk op zichzelf niet erg, maar wat een taal! Orgelmuziek, prachtig. Ik leerde hem kennen uit A Treasure [lees: Treasury] of English Prose van Logan Pearsall Smit[h]154 (die mij vroeger aleens met een boekje Trivia155 verrukt had). Ook die Treasure is een vreugdgevend ding, maar waarom staat er niets van Alice Meynell in?

Krijg ik bijgaande vertaalde stukjes bij gelegenheid terug? Wacht je niet te lang met er iets van te zeggen. Een vrouwelijke ziel hunkert naar antwoord.

Heb je het goed op je uitstap? Hier is de zomer heerlijk, maar moeielijk op te zoeken.

Ons beider hartelijke groeten ook aan je vrou[w]

 

je

AartvdL

139Zie de noten 66 en 67. Bovendien zal Van der Leeuw gedacht hebben aan artikelen, waarmee Van Deyssel in de N.R.C. van 20 september 1924, Avondblad A, gehuldigd was door Dirk Coster en J.C. Bloem, en in De Telegraaf van 20 september 1924 door M. Nijhoff. Harry G.M. Prick was zo vriendelijk mij hierop te wijzen.
140 De wandelaar is Nijhoffs eerste bundel, die in 1916 verscheen bij W. Versluys te Amsterdam.
142Coster gebruikte inderdaad de term ‘allerzorgvuldigst’: ‘Langere verhalen raken precieus uitgelengd, en de suggestieve plastiek, die één der allereerste eischen van de romantische novelle is, gaat in den allerzorgvuldigsten stijl verloren’. Zie De Stem 5 (1925) II, p. 594.
143Dirk Coster heeft twee bundels Marginalia geschreven. De eerste verscheen in 1919.
144 Bancket-werck van goede gedachten is het hoofdwerk van Johan de Brune (1588-1658). Het verscheen in twee delen, deel I in 1657 en deel II, posthuum, in 1660.
145‘(daar ben ik dol op)’ is interlineair toegevoegd.
146Coster schrijft hierover het volgende in zijn bespreking van Vluchtige begroetingen: ‘Weemoedig is alleen, dat er al zooveel voorbij is, dat zooveel schoonheid, zooveel leven, liefde en trotsche praal over deze wereld is heengetrokken, en dat hij daar niet bij was. Nog weemoediger is het hem, dat er speciale tijden zijn geweest, waarin deze natuur nog zooveel ongerepter was, waarin ook de natuurzin der menschen dieper en levender was, (al spraken zij daarom niet van de natuur; zich de natuur als natuur bewust te worden en erover welsprekend te zijn, reeds dit is een scheiding) en dat dit toevallig de tijden niet zijn mochten, waarin Aart van der Leeuw werd geboren. Uit deze weemoedigheden, die ten slotte onmiskenbaar aan een stillen levenslust ontbloeien, - is de arcadische droom dezer kunst ontstaan, de teedere leugen die Aart van der Leeuw zich zelf vertelt, - want iedere arcadische droom is zeker een vergissing ten opzichte van de werkelijkheid. Reeds deze vriendelijk lachende natuur is nooit iets anders, dan een werkplaats van onderlinge afslachting, en zeker was in schooner tijden het leven niet minder barbaarsch en somber van eindeloos misbegrip dan thans. - Maar de mensch heeft het gelukkige privilege, de zachte leugens die zijn ziel aan zijn ziel vertelt, met schoonheid te omkleeden en als schoonheid aanvaardbaar te maken. Eenvoudig omdat, als bij de kinderen, ieder vertelsel dat aan de fantasie ontrijst, een levend verlangen van deze ziel beteekent. En het verlangen dier ziel is op zijn beurt een werkelijkheid waarmede rekening gehouden moet worden. Sinds 6000 jaar is dit verlangen bezig, het wreede aanschijn van de wereld tot een weinig meerder mildheid te omvormen en te herboetseeren’. Zie: De Stem 5 (1925) II, p. 592-593.
147Het septembernummer bracht de volgende gedichten van Van der Leeuw: De dag, Zwijgen, Zonnestralen, Na dorheid en De bittere vreugd, die alle opgenomen zijn in de bundel Het aardsche paradijs . Zie ook noot 158.
148Adalbert Stifter, 1805-1868. De verhalenbundel Bunte Steine is van 1853. De voorrede van deze bundel is in zijn geheel gewijd aan het grote en het kleine. ‘[...]. Weil wir aber schon einmal von dem Grossen und Kleinen reden, so will ich meine Ansichten darlegen, die wahrscheinlich von denen vieler anderen Menschen abweichen. Das Wehen der Luft das Rieseln des Wassers das Wachsen der Getreide das Wogen des Meeres das Grünen der Erde das Glänzen des Himmels das Schimmern der Gestirne halte ich für gross: das prächtig einherziehende Gewitter, den Blitz, welcher Häuser spaltet, den Sturm, der die Brandung treibt, den feuerspeienden Berg, das Erdbeben, welches Länder verschüttet, halte ich nicht für grösser als obige Erscheinungen, ja ich halte sie für kleiner, weil sie nur Wirkungen viel höherer Gesetze sind. [...]. So wie es in der äusseren Natur ist, so ist es auch in der inneren, in der des menschlichen Geschlechtes. Ein ganzes Leben voll Gerechtigkeit Einfachheit Bezwingung seiner selbst Verstandesgemässheit Wirksamkeit in seinem Kreise Bewunderung des Schönen verbunden mit einem heiteren gelassenen Sterben halte ich für gross: mächtige Bewegungen des Gemütes furchtbar einherrollenden Zorn die Begier nach Rache den entzündeten Geist, der nach Tätigheit strebt, umreisst, ändert, zerstört, und in der Erregung oft das eigene Leben hinwirft, halte ich nicht für grösser, sondern für kleiner, da diese Dinge so gut nur Hervorbringungen einzelner und einseitiger Kräfte sind, wie Stürme feuerspeiende Berge Erdbeben’. Geciteerd naar A. Stifter, Bunte Steine und Erzählungen, München, o.J. [Sämtliche Werke, IV], p. 7-10.
149Deze definitie werd door Van Deyssel gelanceerd in het in april 1888 aan De Nieuwe Gids bijgedragen opstel over Lidewijde . Aldus een mededeling van Harry G.M. Prick.
150Naar aanleiding van Holst's Voorbij de wegen schreef Van der Leeuw aan Verwey op 21 mei 1925: ‘Ik vind zijn “Voorbij de wegen” een wel zuiver boek, niet zonder grootsche allure, maar is de bezongen levenshouding niet een hopeloos steriele? Geen bloem bloeit erin, geen oogst wordt er in binnengehaald en geen vrucht rijpt er. En wat is de waarde van een leven waarin niet gezaaid en gemaaid wordt? De wereld niets dan een naakt strand, met het heimwee naar ergens een eiland. Maar als er ooit van een eiland der zaligen sprake is, zullen wij er dan mee beloond worden, als wij alles wat op aarde zoet was hebben uitgespuwd? Veel eerder toch als wij hier geen uur van arbeid verloren hebben laten gaan, en hebben gezongen onder het werken’. Geciteerd naar Hulsker, p. 336.
152J.C. Bloems voorrede van Besnards bundel Opstand en wroeging (Maastricht, 1925) besloeg drieënhalve pagina, waarvan één over Besnards poëzie, en dit was een herhaling van wat Bloem in De Gids van oktober 1923 over De bloei gezegd had. Hierop en op zijn karakteristiek van de verzen leverde Van Eyck kritiek in zijn stuk over Besnard op p. 460 noot 1 (zie noot 133): ‘“De grondtoon van deze poëzie is niet weemoedig maar in den vollen zin van het woord tragisch”, schrijft J.C. Bloem, op die enige bladzijde zijner voorrede die hij voor Besnard reserveerde: herdruk van een vroeger kritiekje over De Bloei, dat klaarblijkelijk op een herinnering aan Sonnetten en een slechts vluchtige lezing van het te bespreken bundeltje berustte. Waarom heeft Bloem zich van de taak om Besnard bij het publiek in te leiden zo haastig en slordig afgemaakt? De grondtoon van De Bloei, immers, is in geen enkel opzicht tragisch, hij is integendeel niet ánders dan juist weemoedig. Daar de dichter zelf dit ten overvloede in verschillende van deze weinige gedichten uitspreekt, zal Bloem, in geval van herdruk, goed doen wanneer hij deze van alle kanten bekeken zwakke, overbodige, en, wat erger is, verwarrende inleiding terugneemt’.
153John Donne, 1572-1634, Engels dichter. Van 1621 tot zijn dood was hij deken van de St. Paul's kathedraal te Londen. Zijn preken zijn van een ongewone welsprekendheid. In poëtisch opzicht was hij de eerste van de zgn. ‘Metaphysicals’. Door soms gezochte beeldspraak, onregelmatige versvorm en duistere gedachtengang zijn de gedichten veelal moeilijk verstaanbaar.
154Logan Pearsall Smith, 1865-1946, Amerikaans essayist, die het grootste deel van zijn leven in Engeland doorbracht. L.P. Smith, A treasury of English prose, London, 1919.
155Trivia, London, 1918. Dit boekje bevat ‘pieces of moral prose [...] written [...] by a large Carnivorous Mammal’.
prepostterug  begin  verder