terug  begin  verderprepost
[p. 72]

E 6

papier zonder gedrukt briefhoofd

 

20 Nov. '25

 

Beste van der Leeuw,

‘Hier ben ik’, zooals Gossaert de Westenwind toewierp178 en ik hoop, dat jij meer acht op mij slaan zult dan de Westenwind op hem. Een dezer dagen begin ik mijn eerste studie voor Groot Nederland op papier te zetten: over Jacques, en vóór die heb ik mij eerst van de verplichting tot het schrijven van een paar brieven willen bevrijden. Je brief heeft mij bijzonder veel genoegen gedaan. Ook heb ik hem gebruikt. Ik had nl. van Jacques een ongeloofelijke brief ontvangen.179 Ik heb die niet onbeantwoord willen laten, want ik houd niet van dergelijk zwijgen tegenover menschen, die ik zoolang tot mijn leven gerekend heb, en in dat antwoord heb ik mij veroorloofd een oordeel van jou aan te halen. Ik zend je de copy van J's brief en een van de mijne, in de hoop dat je mij die spoedig terugzendt. Van mijn brief heb ik geen ander, dus ik hoop ook, dat hij niet door de post wegraakt. Mijn gedachte was zòo: daar J. schrijft dat hij zich eigenlijk niet kan voorstellen, dat ik mijn eigen perfiditeit niet zelf ken, heb ik hem jouw oordeel willen laten zien, in de verwachting dat hij tot deze eenvoudige gedachtegang in staat zou blijken: ‘als een onberispelijk man en buitenstaander als v.d. Leeuw zòo, en niet name over dat slot zòo denkt, dan kan ik een brief als die ik v.E. gestuurd heb, toch onmogelijk volhouden, en zal ik die in elk geval moeten herroepen. Maar dan blijkt tevens, dat mijn “lange nadenken” niet geheel onfeilbaar was en ik zal de zaak dus nu opnieuw, en objectiever, nog eens van voren af aan moeten overdenken’. Ik ben te goed van vertrouwen geweest. Jacques heeft zelfs niet geantwoord, en dat lijkt mij ten slotte nu wel afdoende. Die ‘geboren querulant’ is typisch. Ik heb nooit iets met Jacques gehad. Jacques heeft mij twee maal dergelijke losbandige brieven geschreven, die hij vlak daarna geheel moest intrekken. Zooals jij zei, of was het v.G. Stort: ik prikkel hem in ieder opzicht door te zijn die ik ben. Ik leg zijn houding dan verder zoo uit, dat hij die geprikkelheid instinctief tot een agressie mijnerzijds maakte. Als ik Freudiaan was, zou ik zeggen Jacques heeft een complex, en omdat ik èn een vriend uit zijn jongelingschap ben èn tevens in mijn heele voelen, denken, en eischen nu de volledige negatie van wat Jacques nu geworden is, ben ik het uitgelezen mikpunt van zijn scherpte, terwijl Jany R.H. integendeel geen enkel belichaamd verwijt is, voor wat het leven betreft, en voor wat de poezie betreft, een beschouwing aanhangt, waarin juist Jacques zich kan thuisvoelen. Ik wou je die twee brieven eens sturen, om ten eerste te laten zien, op welke wijze ik jou er ongevraagd bij gehaald heb, ten

[p. 73]

tweede om van je te hooren, of ik volgens jou goed gedaan heb op deze manier te schrijven. Voor het overige, ik schreef het gister ook aan ten Holt,180 heb ik een gevoel, of de heele zaak nu ver achter mij ligt.

Dat komt ten deele, doordat ik mijn proza nu weer weer heb kunnen opvatten. De afspraak met Coenen is uitstekend. Vier studies, van te zamen max. 96 blz.181 Dat is al, wat ik wensch. Dat geeft mij geen te sterke tijdsdwang noch ruimte-spanning. Ik begin, na tot nu toe - behalve Verwey en Leopold - tusschenfiguren en jongeren besproken te hebben, met mijn tijdgenooten. Van 't jaar, hoop ik: Bloem, Holst (zijn nieuwe bundel is uit)182 Gossaert en de Haan.183 Er komt volgend jaar een nieuwe bundel van Boutens.184 Als de afspraak, die voor één jaar gemaakt is, in 1927 doorgaat, en er verschijnt ook een bundel van jou, dan zou ik daarin kunnen nemen Boutens, jou, en misschien het latere werk (na de oorlog) van Verwey, wiens Legende van de Ruimte ook verleden [lees: volgend] jaar komt. Dit laatste stuk zou dan het vierde hoofdstuk van mijn groote studie over hem moeten zijn. Op die manier werk ik terug, en dat heeft zijn voordeelen. Later, wanneer ik mijn eigenlijke boek ga maken begin ik dan natuurlijk van het begin, en werk alles over en om tot het in het geheel past en herhalingen zoo veel mogelijk vermeden worden. Aan ‘Voorbereiding’ mankeeren nog 2 2e helften van gedichten. Komen die in niet te lange tijd, dan denk ik over een boekje najaar 1926 bevattend Inkeer (met 3 nieuwe gedichten, en een paar herschreven) en Voorbereiding.185 De laatste tijd heb ik hard gewerkt aan De Sterren, dat nu zoo goed als klaar is. Zestig strofen in plaats van 150, en die 60 voor het grootste

[p. 74]

deel fonkel-nieuw. Vier hoofdstukjes in plaats van zes.186 Ik geloof dat het nu een goed en zuiver gedicht is. Gelukkig, want ik had het moeilijk in de bouw van mijn werk kunnen missen. Nu aan de andere boeken van vroeger!

En hoe gaat het jou, en je gezondheid, en die van je vrouw? Ik hoop, dat ik daar spoedig geruststellende en bevredigende berichten over hoor. Ben je geregeld aan het werk? Maak mij niet beschaamd door tegenover mijn overvloedige mededeelingen over mijn werk een bescheiden zwijgen of half-zwijgen te plaatsen, en vertel mij over je werk en je plannen, zoowel wat poezie als wat proza betreft. Je moet mij goed op de hoogte houden. Verwey schijnt met Donne bezig te zijn. Althans, hij vroeg naar een boek. Donne's proza moet je eigenlijk niet in excerpten lezen. Bij de None Such Press zijn Ten Sermons compleet verschenen.187 Mooie uitgave, uitverkocht, maar waarschijnlijk op de K.B. De eerste en laatste daarvan, wat een proza! De laatste is de laatste die hij vóór zijn dood gehouden heeft. Daar staan stukken in! Ken jij de ‘Poems of Felicity’ van de mysticus Traherne? Ze zijn pas eenige decennia geleden ontdekt en de eenige complete editie is die van de Oxford Univ. Press, een keurig uitgegeven en niet duur boekje. Ik kan je dat aanbevelen. Zijn andere boek is A Century of Meditation [lees: Centuries...].188 Zijn handschrift is maar toevallig gevonden. Er staan een paar van de treffendste mystieke gedichten der Engelsche poezie in. Wat lees jij, zoo tegenwoordig? Heb je nog voorliefden? Ik denk, dat ik na het schrijven van mijn eerste stuk mijn voor

[p. 75]

lezen beschikbare tijd verdeel tusschen Roland Holst en Dante. Dit voorjaar en deze zomer tot de vacantie heb ik de heele Div. Comm., en het Paradijs twee maal, gelezen, en ik wil ook de Hel, en de Louteringsberg nog eens voor de 2e maal doorlezen. De kwestie is met Dante, als je aan het eind van de Comm. bent, voel je je precies rijp voor nu een nieuwe en betere, een echte lectuur van het geheel, en zoo kun je je heele leven aan de gang blijven. In elk geval wil ik na Dante Milton nog eens vastpakken. De laatste tijd heb ik veel in Shakespeare189 en, dat heb je misschien in de N.R.C. gemerkt, de drama's van Tsjechoff gelezen.190 Over dat tooneelwerk van Tsjechoff zou ik eigenlijk wel eens graag een art. schrijven.191 Je tijpt zoo'n brief, en aan het eind, als het beginnen moest, n.l. een bestudeering van Tsjechoffs techniek onder het licht van het te voren gevondene, dan moet je uitscheiden en met de mededeeling dat die techniek de eenig-juiste en adaequate is, volstaan. En nu, hart. groeten van ons beiden aan jou en je vrouw

 

je Van Eyck

178In De Westewind, het tweede gedicht van de bundel Experimenten .
179Deze brief van Bloem en Van Eycks antwoord zijn opgenomen als Bijlage II.
180De schilder Henri Friso ten Holt, 1884-1968, vriend van Van Eyck. Hij woonde sinds 1912 in Bergen (N.H.).
181Deze studies zouden een reeks vormen onder de naam Dichters en Gedichten . Uiteindelijk is de reeks beperkt gebleven tot twee stukken, nl. over Bloem (Groot Nederland, februari 1926; VW 4, p. 496-525) en over Leopold (februari + maart 1927; VW 4, p. 526-586). Hierna heeft Van Eyck geen studies meer in Groot Nederland gepubliceerd.
182De wilde kim, verschenen november 1925 bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum. Zie ook noot 219.
183Van de - onvoltooid gebleven - studie over Jacob Israël de Haan is het niet persklare manuskript, gedateerd 1925, opgenomen in VW 4, p. 611-642.
184In 1926 verscheen bij A.A.M. Stols de bundel Oud-Perzische kwatrijnen .
185In VW 2, p. 499 kan men hierover het volgende lezen: ‘In 1922 verscheen in de P[alladium]-reeks (uitg. Arnhem), in een oplage van 150 ex., de bundel Inkeer, bevattende 15 gedichten, gedateerd 1917-1921. Op drie na ( Een donker huis, Leed, enige vlam en Sterren en bloesems ) hadden al deze gedichten, met enkele andere, in eerste lezing in de jrgn 1917 en 1918 van De Beweging gestaan.
In 1927 verscheen bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum, in 500 ex., de tweede druk van Inkeer, vermeerderd met twee korte gedichten ( De sterren, ál schrille vonken en Een kind van licht te zijn ). De overige verzen, hier en daar gewijzigd, stonden in een andere volgorde. In het colofon heette het geheel geschreven te zijn van 1917 tot 1922’. Voorbereiding verscheen afzonderlijk in 1926.
186In de eerste druk (1911, bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum) bestond De Sterren uit 146 strofen van ieder vier verzen, die verdeeld waren over zes afdelingen. De nieuwe versie had vier hoofdstukjes van 15 strofen, ook ieder van vier verzen. Van Eyck handhaafde het gekruist rijm. VW 2, p. 496 vermeldt over dit verhalende gedicht: ‘“De Sterren” heeft de dichter uit de handel doen terugtrekken. Hij herschreef het onder de titel “Het Zuiderkruis” in 1916-1927 en liet er met “Een Hooglied” een privé-druk van maken in 1942 ( Twee Gedichten ). Een aantekening in die privé-druk zei: ““Het Zuiderkruis” is in 1911 ontworpen en dat zelfde jaar onder de titel “De Sterren” ook verschenen: in die eerste gedaante een driftige improvisatie, die de dichter al spoedig niet meer bevredigde. Maar aanleiding en stof waren een tot jeugddroom vermijmerde jongenservaring geweest, en zowel de herinnering aan die ervaring, als de droom waartoe zij verbeeld was, - aanduiding, naar hij steeds meer besefte, van iets blijvends in zijn wezen - bleven hem lief. Zo liet het gegeven hem niet los en wilde van improvisatie gedicht worden. In de jaren 1916 tot 1927 is dit gedicht geschreven. Moge de toen zo zuiver als hij kon tot poëzie gezongen innerlijke werkelijkheid, waaraan het ontsprong en die het moet uitdrukken, voldoende vergoeding blijken voor wat de jeugddroom, in de sfeer der feítelijke werkelijkheid, door een enkele trek (als die reis van een knaap naar het Zuiden) aan onwaarschijnlijks heeft moeten behouden”.’
187J. Donne, Ten sermons, Ed. by G.G. Keynes, London, 1923. Nonesuch Press.
188Th. Traherne, Poems of felicity, Ed. by H.I. Bell, Oxford, 1910.
Th. Traherne, Centuries of meditations, Now first printed from the author's ms., Ed. by B. Dobell, London, 1908.
Thomas Traherne, 1637?-1674. Engels dichter en mysticus; wordt beschouwd als voorloper van Blake en Wordsworth.
189Wellicht naar aanleiding van een toneeluitvoering van Hamlet in moderne kleeren, waarover Van Eyck schreef in de N.R.C. van donderdag 15 oktober 1925.
190Naar aanleiding van toneelvoorstellingen in Londen schreef Van Eyck in de N.R.C. over The Cherry Orchard en The Sea Gull. Het tweede stuk is opgenomen in VW 7, p. 671-676.
191Van Eycks wens is niet in vervulling gegaan.
prepostterug  begin  verder