terug  begin  verderprepost

L 11

Voorburg 12 Maart 1926

 

Beste van Eyck

Wel bedankt voor je overdrukjes. Beide stukken zijn uitstekend.201 Dat over Jacques verbluffend van juistheid. Me dunkt, als zoo volkomen de kern van deze gedichten wordt aan het licht gebracht, dat dan het bezwaar niet gelden mag, dat mijn beelden en woordmuziek lievende ziel ook hier niet zijn volle deel kreeg. Wellicht kan slechts op déze wijze de waarheid zoozeer duidelijk worden gemaakt. De waarheid is naakt, en het is mogelijk dat eerder het werktuig van een Egyptisch kunstenaar haar gestalte in graniet kan houwen, dan de beitel van Praxiteles. Als een stem uit een geheel andere wereld heb ik altijd van Jacques verzen gehouden maar dat ze de kiemen van een gewissen ondergang in zich borgen heb ik evenzeer gevoeld. Het is zoo waar wat je over zijn liefde zegt en

[p. 80]



illustratie
Laatste gedeelte van de brief door Aart van der Leeuw aan P.N. van Eyck, met het gedicht ‘De knaap’, 12 december 1925

[p. 81]

zijn onmacht om die ooit te verwezenlijken. In dat verband kan ook zijn verloving202 bekeken worden. Hij is hier geweest met zijn meisje, en meer dan dit hoef ik niet te zeggen, dat ook in dit geval van eenige verwezenlijking wel geen sprake zal wezen.

Zelf zal hij van je critiek wel niets willen aanvaarden. Zijn leven,203 drijft geheel op onderbewuste stroomingen, bewust over zichzelf een oordeel vellen kan hij niet. Trouwens wat hij bij zijn bezoek opmerkte over het Gidsgeval, en jullie [cor]respondentie daarover, bevestigt mijn overtuiging dat hèm tot een ander inzicht trachten te brengen tot niets leidt.

En nu je stuk aan Marsman. Juist zóo bedoelde ik het, toen ik er in een vorige brief op aandrong, dat je je houding zoo scherp mogelijk zoudt afbakenen. Dat is hier zuiver en open gebeurd. Werkelijk woord voor woord ben ik het met dit opstel eens. Zoo'n zin als: dwz. of zij, noch in hun l[ev]en hun dichten, noch in hun dichten hun leven verzakend, als eenvoudige menschen, die de diepste beteekenis van hun streven in hun ganschen levenswandel uitdrukken, van het dichterschap dat eene alles omvattende midden maken, waaruit wij, ook al schrijven wij geen versregel, leven en groeien’ zou ik wel iedereen in het hart willen zien gebrand. Ook je karakteristieken van Nijhoff en Coster zijn best.

Een andere vraag is echter of dit alles de jongeren bekeeren zal. Ik zou denken van niet. Zijn zìj het eigenlijk niet geweest, die Holst en Nijhoff juist om der wille van hun verscheurdheid voor zich opgeeischt hebben, zijn ze zelf niet leeg en vatbaar voor alle soort van lokgefluit. [L]aatst hoorde ik dat Marsman over katholiek worden dacht. Ik weet niet of het waar is, maar in den lijn zou het zeker liggen.204 Afschuwelijk dat Roomsch doen dat tegenwoordig een van de plagen (en zeker niet de minst gevaarlijke) is die de wereld vergiftigen. Wat kan voor zulke naar Jésus (niet de bijbelsche Christus)205 en Maria de oogen verdraaiende menschen, een dichter als Verwey, die oerprotestant, beduiden, of een criticus als jij, die niet minder protestant bent. Neen als ik bv Marsmans laatste bundeltje206 lees, dan zou ik mij niet voor kunnen stellen dat ‘de weg van het

[p. 82]

licht’ hem iets zou te zeggen hebben. Mijn gevoel is dat dit jongere geslacht er een is zooals bv ‘das junge Deutschland’, of de dichters onder de Fransche revolutie en Napoleon, afgeleiden door een zeer bewogen tijd, die niet tot ware kunst kunnen komen. Maar de tijd gaat tegenwoordig gauw. En het geslacht waarvoor jouw ernstige beschouwingen moeten dienen, staat misschien al, zwijgende nog, maar vol adel en diepte, voor den drempel.

Geestig is, dat het antwoord der ‘vrije bladen’ [lees: Vrije bladen] eigenlijk al te lezen is, als ik je overdrukje omdraai. Daar staat een vers afgedrukt, [Och]tend genaamd,207 waarin ik word ingelicht over lijven die aan lijven stranden, slapen in den roes van iemands haar, in een holte van de hand waarin hemel en hel zijn verholen, in eén woord juist zoo'n muisbarend gebergte als er maar al te dikwijls in het landschap van de jongste letterkunde, oprijst aan den horizont.

Toen ik je critiek over Bloem begon te lezen verwonderde ik mij er even over mijn naam niet in de kleine dichtergroep die tusschen 1905 en 1910 in de Beweging begon te publiceeren, genoemd te zien.208 Maar toen ik wat verder je karak-

[p. 83]

teristiek van dien groep las, niet meer. Neen zeker was ik geen ontgoochelde, en ik verlangde ook niet naar het geluk, omdat ik het bezat. In dit licht bezien wordt mij ook duidelijker wat Jacques mij eens zeide: wij voelden in den Bewegingstijd zoo voor je werk, omdat je had, waar wij naar zochten.209

Van jongs af heb ik de wereld altijd als zichtbaar beeld van laat ik maar zeggen Gods wetten gezien. Daarom kon ik schrijven:

 
‘Slechts als ik loof en prijs,
 
Voel ik de ware peis
 
Over mij komen.’210

Mijn strijd is dan ook niet het veròveren van het geluk, maar het verdedigen ervan, tegenwoordig tegen niet geringe machten, zooals ziekte invaliditeit, geldgebrek, vereenzaming, tijdgeest en natuurverwoesting. Ik geloof dat het hier gaat om òf verslagen te worden, òf mij volkomen aan een schepper over te geven. Je weet niet tot welk een hulp bij die gevechten Traherne mij is geweest. Het was mij of ik plotseling overwinnaar was geworden, en zèlf al die honderdtallen van vreugde en wijsheid verkondigde. Op het oogenblik is het boek mij door de KB weer afgenomen, echt een groot gemis. Zou ik niet eens aan den ontdekker en uitgever van de centuries kunnen schrijven? Leeft hij nog, weet je zijn adres?

Van den winter is de pen mij weer door ziekte uit de hand genomen. Nu zit ik in de drukte, we verhuizen nl. Na opheffing [van]+ de huurcommissie ben ik opgeslagen wat ik niet betalen kon. We trekken nu in bij mijn schoonzuster die naast ons woont. Vanaf 1 Mei is mijn adres dus West Einde 140.

Hoor ik weer eens wat van je? Mijn opmerking over het gebruik maken van mijn woorden bij je brief aan Jacques heeft je toch niet afgeschrikt? Ik heb er nu eenmaal behoefte aan intiem met iemand te kunnen spreken. Ik ben schuw van aard, maar vooral dìt: precies heb ik nog genoeg zenuwkracht voor mijn werk (meestal niet eens) maar om mij openlijk in de strijd te mengen, daarvoor schiet ze ten eenenmale te kort. Des te heugelijker vind ik het, dat er iemand is, die de dingen, die ik ook zoo gaarne zou zeggen, klaarder en sterker naar voren brengt dan ik het, ook zelfs als ik een krijgsman was die zijn rechterarm niet miste, zou kunnen doen. Natuurlijk wil ik hier niet mee zeggen, dat je geen gebruik moogt maken van wat ik je schrijf, of dat als [da]t noodig was mijn linkerhand je niet ten dienste zou staan, maar alleen dat het niet buiten mij om gaat.

Met weer eens een brief zou je me veel plezier doen. Hartelijke groeten van ons beiden ook aan je vrouw

 

je

AartvdL

[p. 84]


illustratie
Westeinde 140 en 142 te Voorburg; sinds 1907 woonhuis van Van der Leeuw, eerst nr. 142, daarna, tot zijn dood, nr. 140

201De twee stukken waren: J.C. Bloem in Groot-Nederland, februari 1926, Dichters en Gedichten I; VW 4, p. 496-525 en De Gids en onze dichterlijke beweging in De Vrije Bladen, februari 1926; VW 4, p. 483-495. Zie voor dit tweede stuk noot 211.
202Bloem verloofde zich op 12 maart 1926 met Clara Eggink. Hun huwelijk vond plaats te Rotterdam op 4 november van hetzelfde jaar.
203De komma na ‘leven’ is eigenaardig.
204Gedurende de jaren 1925-1926, toen Marsman in een ernstige geestelijke krisis verkeerde, zocht hij toenadering tot het katholicisme. In deze jaren valt ook Marsmans kennismaking en vriendschap met Gerard Bruning, die hem in zijn religieuze houding probeerde te sterken. Ondanks de grote aantrekkingskracht, die het katholieke geloof op hem uitoefende, heeft Marsman het nooit kunnen aanvaarden. Na de dood van Bruning op 8 oktober 1926 heeft Marsman het katholicisme niet onmiddellijk de rug toegekeerd. Pas in later jaren heeft hij zich er duidelijk én fel van gedistancieerd.
205‘niet de bijbelsche Christus’ is interlineair toegevoegd.
206Penthesileia, verschenen september 1925 bij Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande te Arnhem in de Palladium-reeks.
207Ochtend is een gedicht van Jan R. Th. Campert en luidt:
Ochtend
 
Ontwaakt uit dit diepe rusten
 
door de willekeur van uw hand
 
zie ik uw hoofd aan mijn schouder
 
en uw lijf aan mijn lijf gestrand.
 
 
 
Sinds gisteren zijn jaren vervlogen,
 
wij waren vreemd aan elkaar,
 
nu vindt het licht ons tesamen,
 
ik sliep in den roes van uw haar.
 
 
 
Maar, bij God, vanwaar dit vreezen,
 
dat hard in mij staat gebrand,
 
dat hemel en hel zijn verholen
 
in de holte van uw hand.
Dit gedicht stond evenals het stuk van Van Eyck in het februari-nummer van De Vrije Bladen op p. 40 en werd opgenomen in de bundel De bron (1927); ook in Jan Campert, Verzamelde gedichten, p. 63.
208Van Eyck begint zijn artikel aldus: ‘De kleine dichtergroep (Gossaert, Bloem, De Haan, Van Eyck) die tussen 1905 en 1910 in De Beweging begon te publiceren, verschilde hierdoor het essentieelst van de eigenlijke Nieuwe-Gidsdichters, dieper dan nog van Verwey, maar van Henriëtte Roland Holst en van Boutens toch eveneens: dat hun dichterschap niet, in de eerste plaats, als bij die ouderen, door schoonheidsverlangen, maar door geluksverlangen beheerst werd’. Iets verder vervolgt hij: ‘Voor dit artikel wil ik het overwicht van het geluksverlangen slechts op dit éne, gemeenschappelijke en bij uitstek belangrijke kenmerk terugvoeren: dat zij, sinds hun eerste bewuste ervaring van eigen innerlijk, hun eerste ontvankelijkheid voor tijdsstemmingen en kunstindrukken, ontgoochelden waren’.
209Deze opmerking van Bloem vond later zijn weerklank in de herdenking van Aart van der Leeuw door Jan Greshoff in het Geschenk van de boekenweek 1933, p. 129-131; zie ook Het salamanderboek 1938 en Van Heerikhuizen, De strijd, p. 40-41.
210Citaat uit Morgenlied . In: Het aardsche paradijs, p. 82, afd. Herdersverzen.
prepostterug  begin  verder