terug  begin  verderprepost

E 8

papier zonder gedrukt briefhoofd

 

23 Juni '26

 

Beste van der Leeuw,

In de eerste plaats hartelijk geluk gewenscht met je 50st verjaardag, - gelukwenschen ook namens mijn vrouw, en voor de jouwe, - en met de hoop op een voorspoedig jaar, en vele mooie dingen in leven en werken. Je moet tot de menschen behooren, die na hun 50st hun mooiste gedichten gaan maken: stel die verwachting niet te leur. Als je mij weer eens schrijft, moet je mij vertellen, wat je gedaan hebt, en waar je mee bezig bent. Is je gezondheid ondertusschen bevredigend? Ook ik heb Verwey's laatste boek met veel bewondering gelezen en herlezen, al blijft De Weg van het Licht, ook om persoonlijke redenen, mijn liefste,232

[p. 94]

en al heb ik, anders dan jij, met De Maker geen moeite gehad. Het meeste van wat je uit De Legende van de Ruimte op noemt, behoort voor mij eveneens tot het mooiste. In het bijzonder de afdeeling Schuilgaan. Maar De Toren noem je niet: toch bewonder ik ook dat gedicht zeer. Welke bundels zal Verwey, als hij 70 is, nog geschreven hebben!233 Ik hoop dat zijn professoraal werk hem niet hindert in zijn poetische productie. Wat mij betreft, ik heb maanden gewerkt op mijn studie over RHolst, een heel stuk daarvan geschreven en herschreven, maar toen kreeg ik eerst een griep aanvalletje, daarna kwam de staking, en toen ik weer begonnen was, kon ik niet meer. Ik heb het nog een paar weken volgehouden, maar ik kon niet meer schrijven. Nu ligt het een tijdje, en dat is beter. Wel zou ik het voòr de vacantie nog wel graag afmaken. In die rustige tusschenperiode, ben ik aan mijn bundeltjes getogen, met het resultaat dat Voorbereiding heelemaal af is, en Inkeer bijna (ik heb daarin nog gewerkt nl., van eèn gedicht de 2e helft heelemaal door een andere vervangen b.v.).234 Ik had met v. Dishoeck afgesproken, dat ik beide boekjes samen, dit najaar zou uitgeven, een boekje van een 64 blz. dan, - precies 40 gedichten. Ik aarzel nu echter. De zaak is, dat Voorbereiding een geheel is, en een heel eigen karakter heeft tegenover Inkeer. In het bundeltje zou het natuurlijk na Inkeer moeten komen. Maar Inkeer is, door de Palladium uitgave, en vooral door Costers actie voor bepaalde gedichten, nogal bekend geworden. Nu ben ik bang, dat Voorbereiding achter Inkeer niet zoo duidelijk in zijn eigenheid gezien zal worden, als wanneer het apart blijft, en vraag mij af, of het niet beter zou zijn het afzonderlijk uit te geven, in een boekje van, met wit papier en al, 40 blzn. Inkeer dan eveneens apart. Alleen heeft het met Inkeer samen, door het laatste misschien meer kans op onmiddellijk debiet, en

[p. 95]

wordt het voor de koopers natuurlijk duurder 2 boekjes te koopen. Zeg jij me nu eens, wat je mij raadt. Ik doe misschien het beste te denken, dat het er niet toe doet, of die eigenheid van het laatste wel onmiddellijk gezien wordt, - maar ik weet het toch niet. De heele geest van het boekje is zoo, dat ik hem niet graag in verband met heel andere verzen gebracht zie. Je moet mij dus je meening eens schrijven.

Ik dank je nog hartelijk voor je 2 brieven, die ik veel te lang niet beantwoord heb, maar ik heb het dan ook erg druk gehad, en ik houd er niet van, aan menschen als jij plichtmatige vlugschriften te sturen, waarvoor ik de beste tijd niet kan kiezen. Uit Holland heb ik weinig meer gehoord. Marsman heeft als antwoord op mijn brief in De Vrije Bladen een zwak stuk gestuurd,235 welke zwakheid ik in een laatste stukje aangetoond heb. Maar ofschoon dit stukje maar 3 blz. was, en Marsman reeds 2x, ik echter maar 1 maal over de Gidskwestie, enz. geschreven had, heeft de red. het geweigerd!236 Er stond geen scherp woord in. Wel een bewijs, dat het terrein daar voor mij niet geschikt is. Ik heb het er dan ook maar bij gelaten. Met Jacques heb ik nog een paar brieven gewisseld: hij zelf had mij het eerst geschreven. Onder de vele dwaasheden, die hij schreef, was o.a. dat jij ook ‘zoo ontsticht’ geweest was over mijn gebruiken van je brief. Ik heb daarop geantwoord: 1o dat het van zijn kant natuurlijk ten volle onjuist was, om over ontstichtheid te spreken, en dat als een argument tegen mij te gebruiken, 2o dat jij wel zeer onsticht zoudt zijn, wanneer je hoorde, dat hij eenige opmerking van jou als wapen tegen mij, met wie je het eens bent, gebruikt had, 3o dat die heele bewering van hem overigens het absurde op het gelaat droeg, daar hij zelf hier immers precies deed, wat hij mij verweet, n.l. iets gebruiken uit een particulier gesprek. Met dit verschil, dat ik je woorden gaf, en ook, wat die aan bedoelingen tegen mij bevatten, terwijl hij daarentegen maar raak beweert. Het spreekt trouwens van zelf, dat iedereen scrupuleus behoort te wezen in het gebruiken van een andermans uitlatingen, maar dat te veel scrupules, of onjuiste scrupules beleedigend voor hem kunnen zijn. Een brief is niet iets anders dan een gesprek, althans niet voor iemand, die in het buitenland woont, en geen sterveling zou er aan denken, om nooit iets tegen een ander te zeggen, van wat hij in gesprekken gehoord heeft. Het leven zou onmogelijk worden. Karakteristiek voor Jacques heeft hij op deze gerechtvaardigde opmerkingen weer niet geantwoord. De correspondentie is vastgeloopen. Wij hadden afgesproken, dat wij elkaar deze zomer ontmoeten zouden, maar daarna vond Jacques het plotseling nog eens noodig precies te vertellen, waarop zijn meening vaststond. Dat was op alle belangrijke punten, en ik heb daarop maar geschreven, dat ik onder die omstandigheden in besprekingen geen nut zie. Maar zooals ik zei, verder heb ik het wat ons land betreft, heel

[p. 96]

rustig gehad, hetgeen mij zeer verblijd heeft. Je zult het ongetwijfeld met het bovenstaande eens zijn. Alleen zou ik, van mijn kant, kunnen zeggen, dat het beter geweest ware, wanneer je maar heelemaal niet over dat citeeren van jou gesproken had. Je ziet, dat alles gebruikt wordt, om er een wapen tegen mij van te maken.

Waar ik deze zomer heenga, heb ik, wat de eerste week betreft, dezer dagen eindelijk vastgesteld. Die week ga ik naar de Fransche Alpen: Argentière, maar daarna is nog onbekend. Ik heb een hoop, dat ik naar de Noord Italiaansche meren trek, als 't niet te heet is, hetgeen op sommige plaatsen, als Stresa, niet het geval schijnt. Over 't algemeen is October, tweede helft Sept. misschien, de beste tijd om Zuidwaarts te tijgen. Heb je in de NRC het debat Gerretson-van Blankenstein gevolgd?237,238 De houding van Gerretson is in de hoogste mate zwak, naar het mij voorkomt, en ik geloof dat Blankenstein hem nog heel anders had kunnen aanpakken. Gerretson heeft zich altijd op de achtergrond gehouden, anoniem, onder pseudoniem of voor anderen gewerkt. Nu hij voor 't voetlicht komt, is 't voor een zaak als deze. Ik geloof, dat wij aan zijn wederopstanding als dichter langzamerhand wel moeten wanhopen, - maar men kan het per saldo nooit weten. 't Zou voor hem zelf misschien ook een uitredding zijn. De moeilijkheid is deze: zijn eigen groote innerlijke conflict zelf is het, dat hem ook tot zwijgen gebracht heeft. Zou dat conflict niet opgelost moeten zijn, vóor de dichterlijke stem weer een kans krijgt? Is dit laatste niet, zoolang dat niet het geval is, door het conflict zelf onmogelijk? Gerretson is wel een van de merkwaardigste, gecompliceerdste menschen, die ik ken. En als hij maar niet zoo... diabolisch

[p. 97]

scherpzinnig in oratio's pro domo sua was, die feitelijk, in werkelijkheid, contra domum suam zijn! Maar nu zwijg ik. Schrijf mij spoedig, want je brieven zijn steeds welkom.

Hartelijke groeten van huis tot huis

 

Je toeg.

PN vEyck

 

In slordig schrift heeft Van der Leeuw onder de datum geschreven:

vEyck

Londen

(adres op brieven)

232Van Eyck getuigde van zijn bewondering voor De weg van het licht in zijn eerste Gids-kritiek (januari 1924), die over Verwey handelde. Van de bijzondere betekenis die juist deze bundel voor hem heeft gehad, getuigde Van Eyck voorts in de Rede over Albert Verwey (zie noot 35): Verwey's ‘werkelijke tijd moet nog komen. Komen zal hij. Voor mij zelf ontspringt deze overtuiging aan mijn eigen ervaring. Veel vinden wij mooi, door veel voelen wij ons bewogen, maar dat een heviger werking mogelijk is, ik heb het zelden sterker ondervonden dan toen een van Verwey's laatste boeken, De Weg van het Licht, met een schok, en wijder dan ooit vroeger, mijn geest voor hem opende. Vanaf de eerste, sterk en vol dóorzingende regels van De Bevrijding gaf dat boek door telkens andere gedichten die het hele wezen beheersende spanning, die de onmiskenbare en onweerlegbare werking van groot levende schoonheid is. En diezelfde werkzaam aandrijvende ontroering is voor mij het begin van een nieuwe ontdekkingstocht door Verwey's dichtwerk geweest. Zij, mijn eigen, bloedwarme ervaring, werd mijn onomstotelijke zekerheid tegen ontkenningen van buiten. Steeds vaster drong zij mij tot het besluit dat ik, alléen door te trachten de traditie van onze poëzie op mijn eigen wijze van Verwey uit voort te zetten, en dáarvoor te werken, mij zelf kon worden’. (VW 4, p. 609). Zie ook Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 83 noot 100.
233Om een konkreet antwoord te geven op deze retorische vraag: na De legende van de ruimte heeft Verwey nog vijf bundels gepubliceerd, nl. De getilde last (1927); De figuren van de sarkofaag (1930); De ring van leed en geluk (1932); Het lachende raadsel (1935); In de koorts van het kortstondige (1936).
234Dit is in de tweede druk van Inkeer het voorlaatste gedicht, Die jong zijn en zich zelf niet weten . Het bestaat uit vier strofen, waarvan Van Eyck strofe 3 en 4 totaal herschreven heeft.
236De repliek van Van Eyck bleef ongepubliceerd. Van Eyck antwoordde Marsman toen persoonlijk in april 1926 per brief. Zie Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 33-36.
237M. van Blankenstein, tijdens de jaren 1920-1931 reiskorrespondent van de N.R.C.
238Deze kontroverse maakte deel uit van het geruchtmakende konflikt tussen Jhr. R. Groeninx van Zoelen en Dr. M. van Blankenstein. De eerste beschuldigde in de brochure Voor afbraak (juni 1925) Van Blankenstein ervan, dat hij, vóór zijn drie artikelen tegen de Vlootwet, die herfst 1923 verworpen werd, in de N.R.C. verschenen, ruggespraak had gehouden met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierop volgde een strijd, die hoofdzakelijk met de pen gevoerd werd en die eindigde met een oorvijg van de hand van Groeninx, waarvoor deze op 7 juni 1926 veroordeeld werd. De affaire was intussen uitgegroeid tot een komplete persrel, waarin ook Gerretson zich mengde, die met Groeninx aktief werkzaam was in de Nationale Unie. Gerretson stelde zich geheel aan de kant van Groeninx op, terwijl Van Eyck en de andere medewerkers van de N.R.C., behalve J.C. Bloem, zich solidair verklaarden met Van Blankenstein. Gerretson schreef ten gunste van Groeninx een aantal artikelen in De Telegraaf, waarop Van Blankenstein repliceerde in de N.R.C. Tijdens de rechtszitting Van Blankenstein versus Groeninx trad Gerretson als getuige à décharge op. Tussen hem en Van Blankenstein ontstond een meningsverschil over een citaat, door de laatste gebruikt. Gerretson bestreed de juistheid ervan, maar vreesde naderhand wegens meineed aangeklaagd te worden. Zijn vrees bleek ongegrond. Ondanks het uitblijven van een tweede geding bevatte ook deze nevenaffaire weer veel stof voor de nodige dagbladpublikaties. Kort nadat hij van zijn vakantie in Frankrijk was teruggekeerd heeft Van Eyck, die met beide kombattanten bevriend was, een verzoening bewerkstelligd. Jhr. Groeninx van Zoelen dank ik voor de welwillendheid, waarmee hij mij uitvoerig mededeling gedaan heeft over deze, in zijn ogen nu (anno 1971), onbelangrijke zaak.
prepostterug  begin  verder