terug  begin  verderprepost
[p. 103]

L 14

Florence 1 October '26

 

Beste vEyck

Ik had je al eerder willen schrijven, maar [het] is niet makkelijk op reis om een rustig oogenblik te vinden. We zijn nu al zoowat op de helft van onzen tocht en hebben veel schoons gezien. Eerst het Comomeer, groenblauw met zijn van leven sprankelende oevers, dan het Lago Maggiore, nog mooier vind ik dit, grootsch, en dieper van kleur, wit met blauw, en de vrouwen die hun goed aan de oevers waschten, Slank en zonnig als Nausikaä. Daar ook zag ik de Villa San Remigio, veel mooier dan Isola bella, een heerlijke renaissance [k]unstwerk, voor de Regnier [lees: Régnier] om er een gansche bundel over te dichten. Vandaar naar Portofino aan de Riviera, rotsachtige voorgebergten, die uitsprongen in de blauwe zee. Veel hebben we daar gevaren. Maar langzaam werd ik me dit bewust, dat Italië niet is, een liefelijk land (dat is Holland, en hóe onbeschrijfelijk liefelijk wordt je hier te duidelijker) maar een streng ernstig land. Holland ligt me nader aan het hart, maar hóeveel heb ik hier te leeren. Het is een soort nederig genot om je aan de lessen over te geven, al zijn ze soms hard. Sienna, zwart somber stinkend maar hoe geweldig, barsch en zonder genade maar je ziel in het vuur stekend en haar met hamerslagen bewerkend. Dan het wonderbaar landschap om Sienna. We gingen per auto van Sienna over San Gimignano naar Florence, door een oord, dat op een oeroud over heuvelen uitgespreid gobelin leek, prach[ti]g de Siennabruine aardekleur, het grijs van de olijven, de terrassen waar de wijn groeit, en telkens bij iedere bocht zoo'n ontmoeting met geweldige roomblanke wijdgehorende ossen, die geduldig hun last trokken en met zachte oogen naar ons voortstuivende voertuig opzagen. Een uur of vier in de stad met de schoone torens en dan naar hier naar Florence. (Ook Pisa zag ik en kreeg er een machti[ge] indruk van). Hier hebben we langs de Viale dei Colli gewandeld met de gezichten op de stad en hebben het Uffizi gezien. Het meest heb ik daar van de antieken genoten, Niobe met haar stervende kinderen, de Scyth, Venus, de sarkofagen en de Romeinsche koppen. Neen ik kan het met Barres [lees: Barrès] niet eens zijn,250 schilders als Sodoma [en]+ Perugino zeggen mij weinig, zooveel temeer een Giotto [lees: Giottino], Simone Martini, Fabriano, ook Lippi is verrukkelijk, ook Ghirlandajo. vSchendel die wij opzochten zei ga Fra Angelico maar het allerlaatst zien, want na hem vindt je niets meer mooi. Misschien, maar onze naturen

[p. 104]

verschillen veel. We zijn drie dagen in Florence en blijven er een dag of 12; dan naar Ravenna (ook vSchendel raadde dat aan, noemde het de mooiste stad van Italië) dan Venetië en misschien nog Verona. [D]us minder dan je me aanraadde.251 Maar we zijn alle drie niet sterk, en moeten alles zoo rustig mogelijk doen. De Mont Blanc top zou ik niet halen, ik las ook nog van je kranige verrichting in v Blankensteins artikel.252 Wat moet dat een onvergetelijk oogenblik geweest zijn. In het begin van de reis hadden we het afmattend warm, sinds Sienna is het guur geworden en winderig, maar hier hindert dit niet zoo. Thuis zal ik nog een verslag sturen van mijn verdere reis. Neem dit in haast neergepende maar voor lief, en wees hartelijk gegroet met je vrouw van ons beiden

 

je AartvdL

 

Hier in Florence ben ik in pension Casalo Lungarno heel goed.

250Van der Leeuw is het niet eens met Barrès' oordeel in zijn essay L'Evolution de l'individu dans les musées de Toscane, waarin hij Michel Angelo en Leonardo da Vinci hoger acht dan de vijftiende eeuwse Italiaanse schilders. Dit essay maakt deel uit van de bundel Du sang, de la volupté et de la mort, die Maurice Barrès, 1862-1923, in 1894 publiceerde. Verwey heeft dit essay vertaald in het Tweemaandelijksch Tijdschrift 1 (1895) nr. 3, p. 485-499.
251De Van der Leeuws hebben het reisplan gevolgd dat Arthur van Schendel voor hen had opgesteld. Op 8 september 1926 schreef Van der Leeuw aan Verwey: ‘ik kreeg ook nog een hartelijke brief van v. Eyck met nuttige raadgevingen, maar hij wil ons half Italië door laten reizen en 22 steden, incluis Rome, laten aandoen, daarentegen zegt v. Schendel ga zoo weinig mogelijk zien, maar dan goed. We gelooven, dat we ons aan het laatste zullen houden’. (Zie Hulsker, p. 39).
252Van Blankenstein beschreef in de N.R.C. van 3 en 4 oktober 1926 een vakantie ‘In het land van den Mont-Blanc’. Het tweede gedeelte bestond voornamelijk uit een verslag van een tocht naar de top van de Mont Buet. In het klimmend gezelschap bevond zich een ongeoefende Deen, die dacht de Mont Blanc wel te kunnen halen, maar met de beklimming van de Buet al veel moeite had. Van Eyck, die ook deelnam aan de tocht, bracht het er heel wat beter af: ‘En was de dichter, die in onstuimige drift voor ons uit kon loopen ook niet een nieuweling?’
prepostterug  begin  verder