terug  begin  verderprepost

L 16

Voorburg 27 November 26

 

Beste vEyck

Hartelijk dank voor je mooie boekje waar ik heel blij mee ben. Ik genoot bij het doorlezen weer van de bekenden, en werd verrast door de nieuwen, waarvan vooral ‘Een laatst en stilst verwachten fluistert’ mij trof. Je leider zegt: ‘ga,

[p. 107]

recht en sterk en vrij’.258 Dit doe je ook, dat is juist het bizondere van deze verzen, dat je hierin rechtop gaat, met je gezicht naar de zon opgeheven, zooals het een mensch past, en niet zooals [he]t tegenwoordig gewoonte is op den grond kruipende in walging[,]+ wanhoop en levensverachting. Al deze gedichten getuigen ervan dat het waar is, wat je [in]+ de laatste regels van je bundel zegt dat ook voor jou, in de oude lentegaarde het Delectasti259 klonk. Ik hoop dat je dit blije

[p. 108]

vrome gevoel niettegenstaande teleurstelling en tegenwerking vast zult kunnen houden, en je op deze ‘Voorbereiding’ een ‘Vervulling’ zult laten volgen. In deze wijze van dichten die nieuw is en dus zichzelf langzaamaan zal moeten volmaken, is nog oneindig veel te doen. Niet de literatoren maar wel veel anderen, vooral menschen, die zich schamen over dezen tijd, en edeler willen leven dan er nu gedaan wordt, zal je met dit boekje bereiken. Trek het je niet aan dat het een beetje raar ruikt en er een drukfout in zit.260 Ik ben hier de vos die de pa[ssi]e preekt, want ik vind zelf zulke dingen ook beroerd. Het is net of de heele bundel uit niets dan die eène drukfout bestaat. Je hebt een gevoel of iedereen met zijn vinger bij dat woord zit. Zou het misschien daarom zijn, omdat je met zoo'n werk nog eerder je vijanden hoopt te overtuigen dan je vrienden te bevredigen? Tenslotte is zulk een moedeloosheid een zwakheid tegenover den god, waarover je juist gezongen hebt. Maar zou gebrek aan vertrouwen niet het allermoeielijkste zijn te overwinnen?

Ik heb juist ook iets dergelijks te verduwen gehad. Vijf jaar geleden vroeg Meulenhoff me voor zijn Elfenrei [lees: Elfenrij] een verhaaltje van de Odyssee te maken.261 Ik houd niet van dergelijk werk, ik vind het gebrek aan eerbied tegenover een meesterwerk, maar ik had heel erg geld nodig. Ik k[re]eg een voorschot, maar die serie scheen niet goed meer te gaan en nu eerst vijf jaar nadat ik het maakte komt dat in wrevel verwekte kind ter wereld. Onder de correctie vroeg M. me van de voorrede liever een hoofdstuk te maken dat in het verhaal paste. Ik vond dat goed mits ik nog iets in een nawoord kon zeggen. De gegevens van de voorrede verwerkte ik dus in een hoofdstuk I en een narede. Nu drukt M. voorrede + hoofdstuk I + narede af, dus alles staat er dubbel.262 Heel erg is het niet, want het is geen eigen werk, en ik troost me er [n]u mee dat dit een straf is voor mijn bezwijken voor de verleiding der dubbeltjes. Zoo iets hoop ik nooit meer te doen. Ik zend je geen expl. omdat het dit niet waard is en ik er zelf trouwens maar 4 ontving. Doe me plezier en lees het boekje niet, bedek het met den mantel der liefde. Als in voor of najaar as. mijn dichtbundel uitkomt krijg je natuurlijk dàt boekje.

Van vSchendel ontving ik zijn laat[ste] werk: Verlaine, het leven van een dichter.263 Las je het al? Wat ervan te zeggen? Er zijn veel fijne vSchendel teederheden in, maar het stuit me toch tegen de borst dat van zulk een soort leven een evangelie wordt gemaakt. Trouwens teekenend is het voor Arthur, dat hij zoo

[p. 109]

het ongebreidelde gevoel-alleen verheerlijkt. Alsof er geen bezinning, zelfbeheersching[,]+ inzicht, verantwoordelijkheidsgevoel e[n] wijsheid bestonden. Mijn natuur verzet zich met kracht tegen zulk een opvatting en de jouwe zal dat ook wel doen. Bovendien is dit boek sterk doortrokken van een katholieke geest. In werkelijkheid ìs vSch. dan ook zóo katholiek dat hij het niet eens meer behoeft te worden. Het is een boek dat in dezen tijd past, trouwens de heele figuur ook van Verlaine hoort daarin thuis. Kijk maar eens naar Nijhoff, de gansche Ver[la]insche gevoelssfeer vindt je in hem terug, en dit niet alleen, ook tallooze woorden en zinnen uit dien dichter. Ontroerend is hij zeker, ook het boek van vSch. is dit vaak, maar er is licht noodig, helderheid en beproefdheid, geen blind gevoelsgeweld, dat tenslotte toch iedereen waar het zich op uitstort verstikt en bedelft.

Ik lees tegenwoordig voortdurend in het Oude Testament. Wat is dat toch geweldig. Alleen God is werkelijk, buiten hem is er niets anders. Heb je nog iets moois gelezen den laatsten tijd, zeg dat dan eens. Je hebt me indertijd met Traherne zoo gelukkig gemaakt. Ik kan dikwijls honger hebben naar een goed boek, maar waar vindt je ze tegenwoordig?

Als je tijd hebt hoor ik zeker wel weer eens wat. Hartelijk met je vrouw door ons beiden gegroet

 

je AartvdL

258Van der Leeuw had Voorbereiding ontvangen. Daarin waren twee nieuwe gedichten opgenomen naast reeds eerder gepubliceerde (zie noot 91). De inhoud van de eerste druk is als volgt:
 
Achter de tuinen 't diepe, gele blinken
 
 
 
Die kleine vlam in het duister,
 
Overal achter groen hagen
 
Toen kwam de vrede, onverwacht...
 
Tusschen de dag en de scheemring
 
Ik ging, in mijn hart het bewegen
 
 
 
Zuivre schaal, met maanlicht volgeschonken
 
 
 
Mijn diepste bron van leven fluistert,
 
Woorden, zwevend, zingend,
 
Eens, lang geleden, heb ik u gezien, (1-4)
 
Ik zal nog met u wandlen,
 
Zilvrig waast, op vochtig kruid en bruine bladen,
 
 
 
Winter nog, maar luide uit mist, dat fluiten-
 
 
 
Dit lichaam dat uw gunst mij gaf,
 
O de koele herinneringen
 
Gij zijt mij overal nabij,
 
Bijen, omhoog: zwirlende, zwermende bijen,
 
Lente nabij nu, en de droom van de aarde
 
 
 
Toen zag ik water, glinstrend tusschen boomen,
De citaten zijn resp. de eerste regel van Mijn diepste bron van leven fluistert, en de vierde regel van het laatste gedicht. Mijn diepste bron van leven fluistert is het enige gedicht in Voorbereiding, waarvan de titel in de inhoudsopgave niet hetzelfde is als de eerste regel van het gedicht. In VW 2 is de titel wel identiek met de eerste regel. Van der Leeuw blijkt de publikatie in Groot Nederland, november 1926, waartoe deze twee gedichten behoorden, niet te kennen.
259 Voorbereiding eindigt met het gedicht Toen zag ik water, glinstrend tusschen boomen,- De laatste strofe hiervan luidt:
 
Glimlach, o Liefde, Ziel van licht der aarde,
 
Glans die mijn hart doorzonk,
 
Toen, óók voor mij, in de oude lentegaarde
 
Uw Delectasti klonk!
‘Delectasti’ is als beginwoord niet te vinden onder de duizenden hymnen, die door U. Chevalier opgesomd worden in zijn Repertorium hymnologicum. Catalogue des chants, hymnes, proses, séquences, tropes en usage dans l'Église latine de puis les origines jusqu'à nos jours, Louvain, 1892-[1921]. 6 tom. Mogelijk is het een aanduiding van Ps. 91,5: Quia delectasti me, Domine, in factura tua (Vulgaat).
260In de eerste druk van Voorbereiding is vóór de inhoud een Verbetering ingeplakt: ‘Bladz. 19, regel 7 v.b. staat: Het groene grijs van wolken...; dit moest zijn: Het groene grijs van wilgen...’. Op p. 19 staat het gedicht Eens, lang geleden, heb ik u gezien.
261De zwerftochten van Odysseus, J.M. Mculenhoff, Amsterdam, 1926. Het boekje verscheen in ‘De Elfenrij, bibliotheek van sage en sprook’.
262De bladzijden, die voorafgaan aan hoofdstuk I, en het nawoord komen gedeeltelijk overeen.
263Verlaine, het leven van een dichter, Amsterdam, 1927 was zojuist verschenen.
prepostterug  begin  verder