terug  begin  verderprepost

E 12

12 Nov. 27

 

Beste van der Leeuw,

Dat was, van morgen, een verrassing! Ik had het boek zeker niet vóór lente 1928 verwacht, en daar ligt het nu voor mij! Hartelijk dank voor boek, en opdracht, waar je mij een heel groot genoegen mee gedaan hebt en ik je erg erkentelijk voor ben. Ik hoop het zoo spoedig mogelijk te lezen, en zal je er dan verder over schrijven. Helaas zal ik er waarschijnlijk niet dadelijk mee kunnen beginnen, want ik zit nog tot over mijn ooren in mijn studie over R.H., en als ik, ‘waarschijnlijk’ schrijvend, aan de mogelijkheid van avondlectuur denk, is dat ‘waarschijnlijk’ een ongerechtvaardigd optimisme, omdat ik 's avonds in den regel niet capabel ben, om iets vernuftigs te doen, laat staan iets vernuftigs met de aandacht te lezen die het verdient. Maar spoedig zal het voorbij zijn, hoop ik, en dan ga ik eerst weer eens een paar weken lekker vrij wandelen en lezen. Ik hoop, dat je inmiddels veel plezier van je boek beleven zult, en, wat je dichterlijke voldoening betreft, van de weinige menschen wier oordeel wat waard is, en, wat je geldelijke voldoening betreft, van de vele menschen wier oordeel gedrukt wordt, - een dikke garve loftuitingen ontvangen zult.

Die studie van mij, zul je zeggen, wordt een legende. ‘Und möchte sie! - zou ik

[p. 123]

Hölderlin bijna nazeggen.287 Een legende, goed, maar een van... 175 bladzijden, dacht ik,288 pas geleden, in een brief aan Verwey - tijdschriftbladzijden wel te verstaan, - en op mijn mededeeling, dat Uyldert R.H. zooveel moeite en tijd niet waard acht, antwoordde hij kryptisch: dat er als de hemel en de aarde om ‘een mosterdzaadje’ gaan bewegen, een boom van nog wel meer dan 175 bladen voor den dag komt. Eilieve, mijn boom zal zeker ten minste 200 bladen gaan tellen, en nog vrees ik, dat ik optimistisch ben. Ik werk aan de zooveelste herschrijving - naar ik verwacht op een na de laatste -289 en al die herschrijvingen worden grooter dan hun voorgangster, en je zult je wel kunnen begrijpen dat ik, waanneer ik nu weer de neiging krijg een dichter iets na te zeggen, die dichter Leopold en zijn ‘wat of het eind mag wezen?’290 is. Zeker is dat ik mij zelf soms verbaas met mijn geduld. Misschien ben ik enkel tot een ‘eindeloos’ geduld bekwaam, omdat het mijn ijdelheid behaagt uit ‘la génie est une longue patience’291 af te leiden, dat wie niet een lang, maar een eindeloos geduld heeft, geen genie maar een genialissimus is! Wel wordt de kans hoe langer hoe geringer, dat, al mocht dat waar zijn, éen levend mensch de lezing dezer studie voldoende te boven komt, om het te kunnen erkennen. I wonder! Er zal moed toe moeten behooren om, enkel ten einde R.H. beter te leeren begrijpen, en dus waardeeren, ruim 200 groote bladzijden van mijn met taaie mannenmoed in elkaar gemaliesmede beschouwingen te lezen. Ik hoor je roepen: ‘Stuur mij, als 't in boekvorm mocht uitkomen, alsjeblieft geen presentexemplaar, want dat zou op mij een ongewenschte verplichting leggen!’ Ik vrees, dat je daar niet aan zult ontkomen, waarde vriend, maar ik geef al mijn vrienden ten minste een jáar om mij over de stand van hun lezing te rapporteeren. Wil je het dan afzonderlijk uitgeven, vraag je. Ja, - ik heb besloten deze zware steen in de Nederl. literatuur te slingeren. Het is wel niet het vuur, dat, zooals Platoon in de Philebos zegt, door de een of andere Prometheus uit de hemel naar de aarde gebracht werd -292 de

[p. 124]

stelling n.l. dat het eene het vele is, en het vele het ene!! - en het zal dus wel niet dezelfde verwarring, wekken, maar één plons zal het geven, al zal het om ten vierden male een dichter te citeeren, dan wel ‘vox, et praeterea nihil’293 zijn! Laat ik er verder niet over spreken, het is welletjes - waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Ik zal blij zijn, warmeer ik - en ik citeer dit, om het laatst gemelde spreekwoord te bewijzen - in staat zal zijn de dichter Aart van der Leeuw zijn ‘-Voorbij!’294 na te zingen. En nu ben ik benieuwd of jij mij kunt aanwijzen uit welk zijner vele werken dit citaat gekozen is. Ik heb het je zelfs gemakkelijker gemaakt, dan noodig was.

En jij, want jij mag nu waarachtig wel eens zelf aan de beurt komen - hoe gaat het, en hoe gaat het je vrouw? Ik hoop gezond. Laat mij dat hooren. Heb je, behalve je proza nog gedichten geschreven? Wat lees je? Ben je nog wel eens met Traherne bezig, en heb je hem al teruggestuurd, en ga je je vertaling van hem nog uitgeven? Heb je nog andere plannen? Wat een idiote coincidentie, dat een zelfde nummer van het gewijde avondblad der N.R.C. zulk een kritiek op Verwey en zulk een op jou bracht. En aan het slot leek de eerste haast een bedoelde weerlegging van een uitspraak aan het slot der tweede.295 Ik heb, na

[p. 125]

lezing van Marsman's kritiek, deze heer een kort, maar fiksch briefje geschreven, daarbij opmerkend dat een stroopers-lichtbak en geweer wel de slechtste gereedschappen zijn, die296 men zich voor een kritikus denken kan, en van de onderstelling uitgaand, dat hij in zijn haast om over het boekje te schrijven, aan het lezen klaarblijkelijk niet toegekomen was, maar hij heeft daarop niet geantwoord.297 Wat Hopman298 betreft, het is zeer zeker een voldoening, dat aan de NRC. nu een fatsoenlijke geest heerscht, en dat iemand er de leiding heeft, die eenige notie bezit van Verwey's beteekenis, maar erg bevredigend is het nog niet. En van de latere Ned. letteren, in 't bijzonder,299 poezie weet hij klaarblijkelijk niets. Ik merkte dat een paar jaar geleden al in De Gids, toen hij na lezing van jouw De Mythe van een Jeugd onderstelde dat je een beginner was, hetgeen pleitte noch voor zijn kennis en belezenheid, noch voor zijn leesgaaf.300 Maar daarover genoeg. Ik verwacht - als ik je goed ken, op uitnemende gronden - dat ik nu weer eens spoedig wat van je hoor. Je zult mij daar altijd heel blij mee maken, en ik wou dat het mogelijk was, brieven te krijgen ook zonder dat zij altijd dadelijk beantwoord worden. In correspondentie zaken is het echter altijd een kwestie van quid pro quo. Wees er zeker van dat ik er naar verlang je boek te lezen en dat zoo gauw mogelijk doen zal. Een tijd geleden heb ik plotseling een paar avonden lang De Legende van de Ruimte herlezen. Wat

[p. 126]

een prachtige gedichten zijn daarin, en wat een leeuwen merg.301 Hart. gr. v.h.t.h.

 

je

van Eyck

287Dit zeer korte citaat van Hölderlin heb ik niet kunnen achterhalen.
288Boven het doorgehaalde ‘schreef’ heeft Van Eyck een woord onleesbaar gemaakt, waarna ‘dacht’ hem hier het juiste woord leek.
289Op 16 januari 1928 schreef Van Eyck aan Marsman: ‘Ik ben nog altijd bezig met mijn studie over R.H., die een boek wordt: de voorlaatste lezing begint al aardig te vorderen’. Zie: Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 51.
290Van Eyck citeert hier de slotregel van O pijn om van ineen te zinken uit de afdeling Claghen van de bundel Verzen, 2e druk, Rotterdam, 1920, p. 133-138; J.H. Leopold, VW I, p. 110-113.
291Dit is een uitspraak van G.L.L. Buffon. Zie: B. Stevenson, Book of quotations, classical and modern, 3rd ed. London etc., 1937, p. 757. De uitspraak komt niet in Buffons werk voor, maar Hérault de Séchelles schrijft hem in Voyage à Montbar (1785), p. 15 toe aan Buffon in een iets andere vorm: ‘Le génie, n'est qu'une plus grande aptitude à la patience’.
292Sokrates zegt in par. 16 van de Philebos:
‘Θεῶν μὲν εἰς ἀνϑρώπους δόσις, ὥς γε̣ καταφαίνεται ἐμοί, ποϑὲν ἐκ ϑεῶν ἐρριφη δια τινος Προμηϑέως ἅμα φανοτάτῳ τινὶ πυρί’
‘Een goddelijk geschenk aan de mensen is het - zo zie ik het althans - ergens uit de wereld toegeworpen door een of andere Prometheus, tegelijk met een allerschitterendst vuur’. Voor de vertaling zie Plato, Verzameld werk, Vert. X. de Win, Haarlem, 1963. 3 dln. Dl. 3, p. 159.
293Overgeleverd door Plutarchus in Apophthegmata Laconica. Zie: B. Stevenson, Book of quotations, classical and modern, 3rd ed., London etc., 1937, p. 2096.
295In de N.R.C. van 28 mei 1927 schreef Marsman een ‘Boekaankondiging’ over Aart van der Leeuw, Het aardsche paradijs, die beginnend met de zin: ‘Ik geloof dat critiek niet technisch genoeg kan zijn...’ voor vier-vijfde bestond uit een uiteenzetting van de normen waaraan volgens hem poëzie moest voldoen en tot slot één, inderdaad globale, alinea over de bundel van Van der Leeuw. Zie Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 37. Het bijblad van de betreffende zaterdag bevatte ook een anonieme bespreking (door F. Hopman) van Albert Verwey, De getilde last . De kritiek op Verwey eindigde als volgt: ‘Wonderlijk, hoe de doornen steeds terugkeeren in Verwey's verzen. “Het brandende braambosch van mijn hart”. Wat een beeld! Deze nieuwe verzen vlammen niet, maar stralen krachtig en nog steeds schijnt het symbool een wit gloeiende hagedoorn, die wortelt in kristallen. “De getilde Last”. Ja, maar de last is weggenomen. Wie hier verwacht een zwanenzang te vinden, vergist zich. Verwey beleeft zijn tweede jeugd. Zeker, er is hier terugzien naar het doorleefde, de wijsheid van den ouderdom, doch de zorgen van den midden leeftijd zijn weggevallen en nieuwe levenskracht werd vaardig, “één tak opnieuw de ruimte won”.’ Het slot van de bespreking van Van der Leeuw luidt: ‘Men moet niet denken, dat Van der Leeuw geen volkomen, natuurlijk, behaaglijk, conservatief-conventioneel, eeuwig in den zin, van in geen tijd geboren (het jaartal kon even goed 1870 zijn, of 1760), door en door gevoelig en bewogen schrijver zou zijn; hij is weliswaar zacht-bewogen zelfs, en fijn-gevoelig, maar wat den dichter maakt, heb ik hier niet gevonden. Niet, omdat dit werk als genre mijn anti-pode is, omdat deze Hollandsche vreugde en dit Hollandsche lied om Hollandsche weiden en bloemen, en zegen en ouderdom en jeugd en edele, berustende levensaanvaarding; deze mijmeringen, rustig en wellevend, onaantastbaar rechtschapen en karaktervast, mij wrevelig en ondankbaar maken, want ten slotte kunt ge zeer goed een bijna onoverwinlijke afkeer hebben van deze en gene dichtsoort, maar direct als de vlam doorbreekt, capituleert ge, diep-verrast en -verheugd. Zoo gaat het mij met Gezelle, zoo ging het me niet, helaas, met Aart van der Leeuw’.
296Wat oorspronkelijk tussen ‘stroopers-lichtbak’ en ‘men zich’ stond heeft Van Eyck met een dubbele doorhaling onleesbaar gemaakt. Ook de tweede versie van de aanhaling uit Van Eycks eigen brief echter is niet letterlijk en harder van toon dan Van Eyck in feite geschreven had. Zie: Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 37.
297Van Eyck schreef Marsman op 31 mei hierover ‘een kort, maar fiksch briefje’. Hierop antwoordde Marsman pas 27 december van dat jaar. Zie Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 37-40.
298Frits Hopman, 1877-1932, volgde met ingang van 1 april 1927 Johan de Meester op als letterkundig redakteur van de N.R.C. Als gevolg daarvan werkte Nijhoff niet meer aan de krant mee. Marsman kreeg toen de gelegenheid vrij geregeld poëziekritieken bij te dragen. Zie Briefw. Van Eyck-Marsman, p. 37.
299De plaatsing van de komma na ‘bijzonder’ is vreemd.
300In de rubriek ‘Bibliographie’ van De Gids van juni 1922, p. 534-535 besprak Hopman De mythe van een jeugd. Hij merkte op, dat voor hem ‘in dit frissche en sympathieke boek het kostbaarste van alle eigenschappen: ernst’ ontbrak. Hij besloot zijn stukje als volgt: ‘De heer van der Leeuw evenwel is blijkbaar het bedorven kind van het lot. Hij zit wat al te rustig en al te gelukkig in zijn wonderschoonen tuin. Hij heeft geen wroeging gekend, noch de wanhoop, die te wezenlijk is voor dichterlijke uiting, noch het echte leed, dat sterke zielen breekt. De raadselen van ons bestaan hebben zijn jeugd niet vergald; maatschappelijke vraagstukken hebben de vreugde van zijn jongelingsjaren niet bedorven; zijn weg heeft niet gevoerd door de schaduwen des doods. En zoo is dan het ontbreken van de gelouterde poëzie, die ontbloeit aan de wreedheid van het overwonnen leven, die zeldzame bloem, welke als de blauwe gentiaan in het verweerde graniet der hoogste Alpen wortelt, bij het herlezen van dit vreugdige boek, de meest teekenende trek’.
301Wellicht dacht Van Eyck hier aan een van de sonnetten, die Hooft met Huygens wisselde en waarvan de eerste regel luidt: ‘Men voed' Achilles op met Mergh uyt Leeuwen schoncken’. Zie: P.C. Hooft, Alle de gedrukte werken 1611-1738, Ed. W. Hellinga en P. Tuynman, Amsterdam, 1972. 9 dln., Dl. I, p. 294.
prepostterug  begin  verder