terug  begin  verderprepost

L 23

Voorburg 12 Mei 1929

 

Beste vanEyck

Er is ook weer een heelen tijd over heen moeten gaan eer ik je voor je prettige brief kan bedanken. Een verontschuldiging is dat ik samen met mijn vrouw een paar maanden door een venijnige griep geplaagd ben geweest, meegebracht uit Apeldoorn van mijn stervenden vader. Maar de vier en tachtig jarige was er veel eerder boven op dan wij. Ik ben nu beter, maar mijn vrouw niet. Wonderlijk die oeroude menschen. Mijn moeder is 81 en mankeert nooit wat, en zal wel het voorbeeld van mijn grootmoeder volgen, die 99 is geworden.353 Ze was een Duitsche en heeft Goethe nog gezien.

Vooreerst dan bedankt voor Mary Webb. Ik heb The golden Arrow en Gone to Earth gelezen en nog essays. The Spring of Joy.354 Bizonder mooi. Dadelijk al in Gone to Earth de mooie karakteristiek van Hazel's moeder. Warm van bloeiend leven. Toch heb ik eén bezwaar. Waarom patois gebruikt bij de gesprekken? Ik vind dat een van de goedkoopste oplossingen van het zoo moeielijke

[p. 148]

probleem dat in een roman de dialoog is. Een grof naturalistische oplossing, goed voor dingen als Droomkoninkje van Heyermans[,]+ de Merijntjes of Geertje van de Meester.355 Maar niet voor boeken als deze. In de eerste plaats is de nabootsing van ‘slang’ toch nooit juist, en dan verder waarom hièr waar de boeren goddank geen echte boeren zijn, maar gelukkig dragers van de zielsdrift en de problemen van Mary Webb zelf. Toen ik echter al gauw over de I man's en de I canna's heen was, heb ik volop genoten. Het is juist mìjn probleem dat ze behandelt, de strijd van het zuiver natuurlijke met de conventie, en ze doet dat met groote liefde, en met behulp van al wat bloem draagt en vleugel. Zoowel de nederlaag als de overwinning heeft ze prachtig gegeven. In the Spring of Joy is ze wat te overdadig en niet zoo goed bv. als Jefferies in zijn ‘The Story of my life’.356 Trouwens ze is verwant aan Jefferies, al componeert ze veel beter; ook aan Traherne, m.a.w. ze behoort tot de menschen die de natuur noodig hebben als middelaar tusschen hen en laat ik maar God zeggen.

Zooals ìk ook, en dat was juist de voornaamste bron van mijn moedeloosheid, die in mijn laatste brieven tot uiting kwam, en waarin jij me zoo hartelijk geholpen hebt. De kwestie is, alles verdwijnt hier waaruit ik vroeger honing zoog, het eene pad en het eene veld na het andere, de duinen worden afgesloten, geen weg zonder [a]uto's etc. Ik zou hier wel weg kunnen gaan, maar het kan moeielijk omdat mijn bij ons wonende schoonzuster hier haar werk heeft en de Geldersche natuur ligt me ook niet zoo na aan het hart als wei[,]+ zee en duinen. Je zult zeggen: je kunt de natuur in haar idee blijven liefhebben, en dat is ook zoo, maar het is een heele overgang.

Over hopeloosheid ben ik gelukkig weer heen, je hebt volkomen gelijk met wat je over [h]oop zegt, hoop die je misschien ook geloof zoudt kunnen noemen. Alles komt tenslotte op je geloofsleven neer, maar bij ieder uit zich dat weer anders. Ik denk dat jij niet zoo sterk behoefte aan een middelaarschap zult hebben als ik. Bij mij is het zoo overheerschend dat het me polytheistisch maakt. Ja de Roomsche kerk heeft ook middelaars, maar dat trieste hoopje halfgevilde en doorgezaagde heiligen (Franciscus uitgezonderd, die eigenlijk een renaissance heilige is) voldoet me niet, en het is me ook niet mogelijk om in Christus in de eerste plaats den gekruisigde te zien. Wat kan ik dikwijls een heimwee naar het heidendom hebben. In zoo'n prachtige herfst als van verleden jaar voel ik duidelijk de aa[n]wezigheid van een godheid (Vertumnus),357 en hoe heerlijk

[p. 149]

zou ik het vinden, wanneer ik voor al mijn kwalen, in plaats van op de koude en verwaande medicasters aangewezen te zijn, als Marius de Epicurist358 met een rein geloof in den tempel van Aesculapius kon slapen. Ook voel ik meer voor het heidensche offer dan voor het Christelijk gebed. Ik zou me bv. voor kunnen stellen, dat ik met een zeer vromen ijver een geliefd m[an]uscript voor een van de Muzen in vlammen zou kunnen doen opgaan, of om een voorbeeld, dat jou ter harte gaat, te noemen, al mijn Zilverdistels359 en het door jou zoo begeerde Siebente Ring van George door Lechter geïllustreerd,360 onder een of anderen duizend jarigen eik zou kunnen begraven. Maar dat gaat allemaal niet, en dat is niet gemakkelijk. Maar je hebt gelijk over niet-gemakkelijk te zuchten deugt heelemaal niet. Trouwens ik geloof niet dat ik gauw de wapens zou strekken. Er bestaat geen geluksplateau waar je rustig je huis kunt bouwen. Er is altijd weer een ander [ge]luk dat op een hooger plateau is te vinden en dat je geen rust laat. De weg van het eene plateau naar het andere is de harde bezwaarlijke. Voór het plateau waarop ik het Aardsche Paradijs en de Speelman schreef had ik er ook zoo een, waarop het eerst geschreven vers van het A.P. ‘Heimwee’361 wijst.

Ik voor mij geloof dat je vriend gelijk heeft en dat hard ploeteren noodig is om iets te bereiken. Bij mij tenminste staan tegenover é[én] ding dat gelukt minstens twee of drie mislukkingen. Tastende[,]+ scharrelende stoot je ineens op wat goeds. Weten wat je niet kan geeft niet, je moet het aan den lijve voelen. Na de Speelman heb ik zeker een stuk of tien dingen geschreven die ik weer weg heb gedaan. Waarschijnlijk door die mislukkingen heb ik eindelijk de koe bij de

[p. 150]

horen gepakt, en een verhaal geschreven dat in het drukst van stadsrumoer, warenhuizen en trams speelt.362 Ik ben er wel tevreden mee. Voor September verschijnt het in de Gids (een kleine 40 Gidsbladzijden) en ik zal je er vellen van sturen. Benieuwd hoe je het vindt. Hoe staat het met dat tijdschrift waar je op doelde en waar je redacteur van zou worden.[?]+ Gaat het nog door? Ik hoop het. Ik verwacht ook zeker dat je eens weer beginnen zult. Dat belovende Voorbereiding kán geen eind zijn geweest. Er waren zooveel nieuwe dingen in, mogelijkheden tot nieuwe wegen. Dat moet tot iets leiden. Toch geloof ik dat probeeren en zoeken de komst verhaasten zou, en tijd is een groot ding, en het leven is ongeloofelijik kort. Maar misschien is het bij ieder mensch anders, en is de onbewuste zekerheid die jij voelt, voldoende. Een zwak punt van mij is dat mijn zelfvertrouwen te gering is en ik daarom altijd resultaten zien moet. Elk mensch heeft niet alleen de hem eigen natuur maar ook de hem eigen geschiedenis, en het is niet bij toeval bv. dat ik in mijn kinderjaren het zwarte schaap ben geweest onder de kudde der schooljongens.

Ik heb met aandacht je stukken over de Londensche tentoonstelling gelezen.363 Je ontdekking van de Koninck kan ik heelemaal [m]eevoelen. Zijn stuk in het Mauritshuis en nog meer zijn prachtige vergezicht in Boymans hebben me altijd sterk geboeid, ook heeft er nogeens een prachtig stuk in het Mauritshuis in bruikleen gehangen, ik meen uit Duitsch bezit. Ja je hebt gelijk dat Vermeer tegenover Rembrandt en Seghers staat, dat proef je bijna. Sereniteit en hartstocht, maar ook is Vermeer veel v[er]fijnder zinnelijk dan Rembrandt, waar alweer eens uit blijkt dat zinnelijkheid niet met hartstocht verward moet worden, wat bijna iedereen doet, en dat veelmeer de eene de andere uitsluit.

Schrijf je eens gauw? Van 12 Juni tot 17 Juli zit ik weer in Hulshorst (Hierden ‘de Keet’) Prettig ook dat je nogeens wat moois voor me te lezen weet. In het Engelsch zijn toch tegenwoordig de beste ontdekkingen te doen. Duitsch is alles nu grof en ploertig, en Fransch alles veel te veel aan maatschappelijk gedoe vastgemaakt: katholiek, nationalistisch, psychoanalytisch etc.

De lente is hier nu doorgebroken. E[lk] jaar overheerscht in de wei een bepaalde bloem. Madelieven zijn er heelemaal niet, paardebloemen weinig, maar de velden zijn heinde en ver lila van de pinksterbloemen. Een ongewoon en teeder gezicht, maar het goud zijn van paardebloemen is mooier.

Is het bij jou nu ook groen? Blijft het weer goed, dan zullen we een prachtige lente krijgen van nieuw blad en bloesem tegelijkertijd.

Onze hartelijke groeten ook aan je vrouw

 

je

AartvdL

353Mevrouw Van der Leeuw-De Fremery stierf op éénennegentigjarige leeftijd in 1939, Van der Leeuws vader in 1931, zesentachtig jaar oud.
354The Spring of Joy: a little book of healing, London etc., 1917.
355Droomkoninkje van Herman Heijermans is van 1924. Zie voor Merijntje Gijzen noot 339. Geertje, een roman van Johan de Meester (1905).
356Van der Leeuw bedoelt R. Jefferies (1848-1887), The story of my heart. My autobiography, verschenen in 1883.
357Dit gevoelen heeft Van der Leeuw verbeeld in Vertumnus, in De Gids 1929 I, p. 48-54; herdrukt in Verspreid proza .
358W. Pater, Marius the Epicurean. His sensations and ideas, London, 1885.
359‘De Zilverdistel’ is een bibliofiele serie, in 1910 begonnen door de dichters J.C. Bloem en J. Greshoff, bij wie zich weldra Van Eyck voegde. Als eerste boek verscheen het in een oplage van veertig exemplaren gedrukte gedicht van Van Eyck, Worstelingen (1911). ‘In 1912 trokken Bloem en Greshoff zich uit “De Zilverdistel” terug, en werd hun plaats ingenomen door de secretaris-generaal der P.T.T., Mr. J.F. van Royen (1913), die de typografische verzorging der boeken op zich nam.
De werkzaamheid van De Zilverdistel heeft zich uitgestrekt over een periode van 9 jaren, waarin 17 boeken zijn verschenen. Als de belangrijkste daarvan mogen worden genoemd Les fleurs du Mal van Baudelaire [, Geerten Gossaert, Experimenten; J.H. Leopold, Cheops ] en het laatste boek Gedichten [1880-1890] door Willem Kloos (1919) [= 1920]. Een belangrijk jaar in de geschiedenis van De Zilverdistel was 1915; van dat jaar af geschiedde niet alleen het drukken en uitgeven der boeken door Van Royen, maar toen kwam zij tevens in bezit van een eigen, door S.H. de Roos ontworpen letter, de Zilvertype. In 1923 heeft Van Royen zijn werkzaamheden als drukker hervat door de stichting van een eigen pers, de Kunera-pers, die men als een voortzetting van De Zilverdistel kan aanmerken, met de nieuwe naam als symbool voor nieuwe gedachten’. Zie: A. Witte, De vormgeving van het boek, 2e druk, Amsterdam, 1970, p. 101.
360De editie, geïllustreerd door Melchior Lechter, was de eerste uitgave van Stefan George, Der siebente Ring, Berlin, 1907.
361Dit gedicht schreef Van der Leeuw in september 1921. De eerste publikatie ervan was die in De Gids 1922 I, p. 412.
362Van der Leeuw doelt hier op het verhaal De opdracht, dat in december in De Gids (1929 IV, p. 257-287) verscheen en in juni 1930 bij Nijgh en Van Ditmar werd uitgegeven in boekvorm.
363Van Eyck wijdde in de N.R.C. vijf artikelen aan de tentoonstelling: op 4, 8, 12, 15 en 18 januari 1929.
prepostterug  begin  verder