Voorburg 29 Juli 1929
Beste van Eyck
Heel graag wil ik den tweeden druk van Inkeer van je hebben, ik bezit alleen den eersten, en zag de tweede lezing nooit in.
Zoo, is de familie Huszar bij je geweest, mijn bedoeling was eigenlijk alleen haár bij je te introduceeren. Zij is me heel sympathiek, maar hij is een parmantig mannetje, dat wel vlijtig is, maar op geen enkel gebied op veel resultaten kan bogen. Het beste is hij nog in het beschilderen van huizen, en de keet waar ik logeerde in Hulsthorst was door hem op een wel prettige manier met zijn verven verlucht. Dezer dagen komen ze thuis en zal ik wel allerlei over het bezoek hooren.
Ik heb het in Hulshorst heerlijk gehad vooral met de warme dagen. Ik ben een groot liefhebber van een deugdelijken zomerzon en de opwekking die me uit alcohol nooit te beurt heeft willen vallen, put ik uit een temperatuur van boven de tachtig. Regent het nu ook bij jullie zooals vandaag hier en heb je weer permissie om je tuintje te bespuiten? Het mijne, al is het niet groot, staat prachtig.
Je prettige brief zat vol dingen om rustig en ernstig over na te denken. Daar heb je die dialectkwestie. Je kan gelijk hebben, dat het soms voor de uitbeelding van personen noodig is om ze in hun eigen tongval te laten spreken. Maar mijn bezwaar blijft dat hun werkelijke manier van zich te uiten toch niet weer wordt gegeven, zoo'n oude John bv. zal zich in waarheid heel wat onverstaanbaarder uitdrukken dan in Mary Webb's boek. Het is echter ook mogelijk dat mijn afkeer
tegen dialect een gehoorskwestie is, en het door mijn doofh[ei]d komt, dat ik mij moeielijk aan een dergelijke manier van uitbeelden over kan geven. Ik zoek het geheim van den dialoog liever heelemaal in het ritme.
The House in Dormer Forest ken ik nog niet, evenmin als Precious Bane. Het laatste zal ik bestellen. Het is in de Travellers Library, een aardig uitgegeven serie, alleen jammer dat de Engelschen altijd zulke dikke catalogussen bij hun boeken binden. Ik kan me begrijpen dat Mary Webb moet geweest zijn zooals jij haar beschreef. Sprak je haar nog?
Je wensch, je keuze..: ‘laat ik, zoolang ik kan, de mogelijkheid openhouden, dat ik de natuur en als haar geesten de goden zou kiezen, maar er, als Hölderlin in de Hymnen die laatste en grootste winst van zijn denken en lijden Christus onder opnemen’. Ja als dat bereikbaar zou wezen, maar is het dat? En zegt het niet ook wat, dat die Hymnen waarin de vervulling van een vereeniging opdoemt al onder de schaduw van den waanzin zijn geschreven! Christendom, heidendom, er is zooveel wat je in het diepst van je wezen zoudt samen willen laten vloeien, maar wat zich verzet tegen opgaan in elkander met een hevigheid die je dikwijls niet verwacht hadt. Sommige dingen in je paren zich zoo gemakkelijk en zoo gelukkig zooals vorm en inhoud, stof en geest, en het maakt de Grieken zoo groot en benijdbaar dat ze geen andere dan juist deze zegepralen gevierd hebben. Maar dan is met het Christendom de ziel wakker geworden, en samen met haar dat grenzenlooze rijk van het onderbewuste, en nu komen de onoplosbare moeielijkheden om de Caritas met Eroos te laten huwen, om tegelijk sub limine te leven èn in het heldere licht van het bewustzijn boven den drempel, om tegelijk je verbeeldingen in den tijd heen te laten stroomen, en ze af te grenzen in de ruimte. Beurtelings kan je dat wel, en ik heb ook tijden gehad, dat ik meer vond in een Johannis van het Kruis dan in Pindaros of Plato, maar altijd het een of het ander, hoewel al mijn verlangen ook gaat naar een samensmelten. Misschien is dit onm[og]elijk, misschien is er geen sterveling te denken in wien het wezen van een Dostojewski en een Goethe zich vereenigd zouden hebben. Ook zou je wel dit kunnen zeggen, dat de onmogelijkheid van haar verwezenlijking een verlangen edeler maakt, en zou je op die manier toch met vreugde moeten blijven hopen. Het laat zich ook denken dat jij van het Christendom je een andere voorstelling maakt dan van het warm en donker rijk des harten. Ook Pater in zijn Marius (ja wat een heerlijk boek, herlees het weer) doet dat, maar Pater is toch [v]an top tot teen een renaissance mensch en humanist bij uitnemendheid. Wat begrijpen wij eigenlijk van de eerste Christenen, en is het Christendom niet geheel en al tot ons gekomen door het medium van de Middeleeuwen.
Mooi zijn je aanhalingen van Pindarus en Prudentius en niet zóo heel ver van elkaar afstaand. Zouden we tóch bij de [e]erste Christengemeenten moeten zoeken? Ja ik heb er wel vaak van gedroomd, om verzen over de goden te schrijven, maar het moeielijke is dat er geen achtergrond voor is, dit voel je bv toch ook bij de Regniers gedichten, hoe mooi ze ook zijn. Ze zouden een soort gedaanteverwisseling moeten doormaken, de Olympiërs om in dezen tijd op te
kunnen treden, misschien vind ik die nog weleens. Voorloopig heeft het proza nog mijn liefde. Van mijn ‘Opdracht’ heb ik de drukproeven al gehad, misschien verschijnt het dus al in Augustus. Ik stuur je dan dadelijk een vel. Ik denk erover om nog aan het stuk door te gaan, hoewel het, zooals het n[u] is, ook op zichzelf kan staan. Maar het onderwerp laat me nog niet met rust.
Als je toch eens dat ‘van Jan van Eyck tot Jan Vermeer’ wilde schrijven! Hoe goed zou dat kunnen worden, en hoe nuttig voor jou ook; waar soms het te weinig beeldende nog een zwakheid van je proza is, heb je hier een plastisch gegeven, dat zich altijd opdringt en den ondergron[d] van je bespiegelingen moet vormen. Een steun, waarna je er misschien geen meer noodig zult hebben. Begin er in elk geval eens aan, na eerst je opzet in het vuur gegooid te hebben, en met een herinnering uit je kindertijd, dat de mooiste weg, dien je ooit gegaan bent er een was, waarbij je verdwaald waart.
Prettig dat Opvluchten je bij herlezing beviel. Zoodra ik de tweede druk van je Inkeer krijg ga ik me daar ook weer in verdiepen.
Gemakkelijk las ik je getypte brief en had er zeker driemaal minder tijd voor noodig dan dat je hem geschreven had. Maar hoe onduidelijk je handschrift dikwijls ook is toch is het hoogst karakteristiek. Zoo'n door je letters donkergemaakte bladzij ziet er eerlijk en krachtig uit, je wezen komt er in mee, en dan doet het er niet toe of het soms wat moeite kost.
Wacht niet al te lang met een antwoord. Gelukkig ken ik nu een wapen waarvoor [ge]en schild je beschermen kan: den praktischen prikkel, en zal daar dan ook bij gelegenheid gebruik van maken.
Intusschen hartelijk met je vrouw van ons beiden gegroet
je
AartvdL