terug  begin  verderprepost

E 19

briefkaart zonder gedrukt briefhoofd

 

poststempel:

Bergen (N.H.)

12 VIII. 17.

1929

Mr. Aart van der Leeuw,

Westeinde 140

Voorburg. Z.H.

 

Pension Holland, Bergen N.H.

11 Aug. [1929]

 

Beste van der Leeuw,

Ik denk nog met bijzondere voldoening over de gezellige middag die ik bij je vrouw en jou doorgebracht heb379 en ik hoop dat te herhalen. Ik had je beloofd, je nog te schrijven over de uitslag van Gerretsons en mijn bezoek aan v. Dishoeck. Welnu, er is definitief tot de oprichting besloten (2-maandelijksch) en 1 Januari zal de eerste aflevering verschijnen.380 Nu is het eerste wat ik te doen heb, een instantelijke bede aan jou om spoedige medewerking, als prozaist, èn als dichter, als het eerste uit praktisch oogpunt, in de eerste plaats, ik bedoel dus, het spoedigst. Je begrijpt dat vooral het verhalend proza mij, door de geringe beschikbaarheid van goede krachten, groote zorg baart, en ik reken daar voor op jou. Ik zelf zit, op eigen gebied, al vol plannen. Ik voel al, hoe

[p. 160]

stimuleerend het tijdschrift werkt en werken zal. Ik hoop nu maar, dat dit ook voor jou in zekere mate gelden zal, voldoende in elk geval, om binnen niet al te lange tijd iets te kunnen zenden. Bij Verwey bracht ik een paar goede dagen door. Hij vindt, dat ik beter doe met een paar afleveringen lang geen werk van hém te brengen,381 om aldus te voorkomen, dat ‘Leiding’ als een voortzetting van ‘De Beweging’ beschouwd wordt, méér dan als een nieuw tijdschrift van Gerritson en mij. Wat dunkt jou van die gedachte? Zeker maakt het de samenstelling van een door en door belangwekkende eerste aflevering, die de naam van het tijdschrift naar allerlei kanten rechtvaardigt, nog moeilijker. Schrijf mij gauw over een en ander je indrukken. Hart. gr. ook aan je vrouw,

 

je

VanEyck

379Van Eyck bracht zaterdag 3 augustus een bezoek aan Van der Leeuw.
380Reeds uit het begin van de Londense tijd (1919) stamt de wil en het plan van Van Eyck, Gerretson en Geyl voor een gezamenlijke periodiek. Na de Gidskwestie wordt het plan hervat. Op 17 juni 1925 schrijft Van Eyck aan Gerretson: ‘Mijn orgaan ben ik kwijt, en er is geen ander. Op de manier, waarop ik mij voorstelde, leiding te geven, te werken, vooral ook op de jongere geslachten, dat zal nu onmogelijk zijn, want met een enkel artikel, hier en daar geplaatst, gaat dat niet. Dat is zeker jammer’. Gerretson antwoordt op 4 juli: ‘De ernstige vraag is bij mij opgekomen, of het thans niet tijd wordt, ons oude plan: een afzonderlijke Tribune, te realiseeren, en zoo de gelegenheid tot continuatie van je serie [“Nederlandsche Poëzie”] te scheppen’. Vier jaar later, najaar 1929, had Van Eyck dan eindelijk zijn eigen tijdschrift. Zie: G. Puchinger, Van Eyck en Gerretson in De Gids 1963 II, p. 208-240.
381Verwey is hierover kennelijk anders gaan denken. Onmiddellijk na de ‘Inleiding’ stond in het eerste nummer van Leiding zijn gedicht De ware staat afgedrukt.
prepostterug  begin  verder