terug  begin  verderprepost

E 20

machineschrift met de pen verbeterd

 

8 October '29

 

Beste van der Leeuw,

Vergeef mij, dat ik weer tik. Ik heb heel wat te schrijven, en niet de tijd voor handschrift. Ik heb in geen tijd van je gehoord, maar jij niet van mij. Dat zou reeds eerder het geval geweest zijn, wanneer er geen moeilijkheden geweest waren. Net een paar dagen voor, op de een of andere manier, in alle bladen het bericht over het tijdschrift gestaan had, kwam van Dishoeck namelijk met een noodbrief van angst voor de gevolgen, die het uitgeven van ons Groot Nederlandsch tijdschrift voor zijn debiet van Vlaamsche boeken aan de Belgische regeering zou hebben, die honderden exx. neemt voor prijzen, enzoovoorts. Het heeft er onmiddellijk toe geleid, dat hij zich terugtrok. Gerretson hulde zich toen eerst in een wolk van zwijgen, maar ik heb de zaak met Conno Mees opgenomen, en als Gerretson nu weer bereikbaarder wordt en zijn gedachten handhaaft, zal het tijdschrift toch, maar dan bij Mees verschijnen.383 Zoover zijn we nog niet

[p. 162]

heelemaal en met name de datum van verschijnen is een gewichtig vraagstuk geworden. Ik zelf heb nog geen letter op papier gezet, maar verschijnt het - nominaal op een of 15 Januari, werkelijk echter 15 December, dan zal ik wel maken dat alles afkomt.384 Ik zelf zou om alles uitstel van verschijnen betreuren. Echter kan ik daartoe genoodzaakt worden. Ik heb namelijk nog heelemaal geen verhalend proza385 en ook nog voor een andere bijdrage moet nog gezorgd worden. Het is nu eenmaal zoo: het is essentieel aan het tijdschrift, dat wij met weinig krachten moeten beginnen, dus eerst nog zeer veel zelf doen, zelfs tot schade der afwisseling, desnoods, in de hoop, dat de krachten, oude en nieuwe aangetrokken worden. Ook verzen heb ik nog niet, maar daar is gemakkelijker voor te zorgen dan voor proza. Ik heb een paar weken geleden, nu ik van jou voor het eerste nummer niets te verwachten heb, van Schendel geschreven, maar hij heeft helaas niet geantwoord. Misschien is hij er niet, misschien is de brief weg geraakt. Ik zal het vandaag aangeteekend herhalen. Ik schrijf dit in de onderstelling, dat jouw productie nog is als van de zomer. Anders zou ik natuurlijk in de eerste plaats op jou rekenen. Hetgeen je vooral niet als een soort inderdaad onzinnige en schadelijke indirecte pressie moet beschouwen. Ik moet het wel vermelden, want ik heb in geen maanden van je gehoord, er kan dus iets veranderd zijn, en bovendien wil ik niet, door in de eerste brief na mijn bezoek aan je te zwijgen, de indruk wekken of ik met jouw medewerking geen rekening houd, terwijl ik dat in werkelijkheid principieel in sterke mate doe. Ik heb uiteraard ook aan Nine [van der Schaaf] gedacht, maar moet met haar voorzichtig zijn, omdat zij zoo ongelijk is, en ik tot haar toch nooit een uitnoodiging zou kunnen richten, die niet, met het oog op de aard van het tijdschrift, mijn vrijheid om te weigeren voorbehield. Ik wil in de eerste afleveringen dadelijk op den voorgrond plaatsen, en door de bijdragen doen uitkomen, dat het voor ons niet om de min of meer geslaagde, min of meer voortreffelijke herhaling

[p. 163]

van oude literaire procédés gaat, maar om werk, dat met eigen vorm uit de moederschoot der verbeelding voortgekomen is, - van welken aard dat dan ook zijn moge, want geen enkele stof wordt daardoor uitgesloten. Wat jou betreft, heb ik nog aan iets anders gedacht. Zou het niet mogelijk zijn dat je je liefde en bewondering voor Traherne, alsmede je fragmentarische vertaling van zijn meditaties, voor het tijdschrift en de Nederlandsche lezers - die van Traherne niets weten - vruchtbaar maakte, door met opneming van karakteristieke brokken386 zijn werk in te leiden? Daarvoor is inderdaad niet meer noodig, dan je liefde en je bewondering. Het weinige feitelijke staat in de voorredes en er is niets over hem geschreven. Laat je werk zijn wat je het maken wilt, een bepeinzing, of een eenvoudige inleiding, waarin de grondgedachten van zijn overwegingen overeindgezet en doorlicht worden. Dat ware juist iets, dat het tijdschrift noodig heeft, en wie zou het beter kunnen doen dan de schrijver van Kinderland en zooveel gedichten? Mij zou je daardoor verblijden, met je vertaling ten overvloede een goed werk doen. Ook is dit misschien iets, dat wat minder afhankelijk is van het ‘kairos’, waar alle onmiddellijk-artistieke productie nu eenmaal afhankelijk [van] is. Ik denk dat je vrouw het ook wel een mooi denkbeeld vindt. Verschijnt het tijdschrift op de tijd, die er voor bestemd was, de beste, nu het eenmaal aangekondigd is, dan is er tot bijna eind November tijd, vóór de copy binnen moet wezen. Eind van deze maand hoop ik definitief te overzien, of ik voor twee afleveringen zeker kan zijn van mijn bijdragen, en te besluiten (met de anderen, natuurlijk) of het verschijnen tot herfst volgend jaar uitgesteld moet worden, ja dan neen. - Ik denk nog dikwijls met voldoening aan mijn middag te Voorburg, maar met verbazing aan het feit, dat je overdruk van je Gidsbijdrage mij nooit bereikt heeft. Heb je hem niet gestuurd? En zou je dat dan alsnog niet doen? Vergeef mij dat ik ditmaal niet verder schrijf. Ik moet weer voort. Met ons beider hartelijke groeten aan je vrouw en jezelf (hoe staat het met de reis naar Londen?)

 

als altijd je toegenegen

VanEyck

383Een eeuw na de totstandkoming van de Belgische staat in 1830, waardoor een scheiding ontstond tussen Noord- en Zuid-Nederland, was er een uitgebreide diskussie gaande over de toekomst van Nederland en België. De voorstanders van de Grootnederlandse gedachte, met Geyl en Gerretson als voormannen, voerden de boventoon. Deze ‘Belgische kwestie’ was toegespitst op twee problemen; een historisch: de scheuring van Noord en Zuid, en een aktueel: de Vlaamse strijd voor (kulturele) autonomie. Het tijdschrift Leiding zou zich - uiteraard - op het Grootnederlandse standpunt stellen. De ‘Inleiding’ zal dan ook anderhalve pagina aan de kwestie besteden (jrg. 1 (1930) I, p. 4-5). Daar staat o.m.:
‘Onze grondstelling [...]: dat het Nederlandsche Volk in zijn over twee staten verdeeld-zijn op het oogenblik slechts een verminkt volk, onze Noord-Nederlandsche natie, voorzoover zij in die toestand een natie mag heeten, een verminkte natie is’. [...].
‘Ons tijdschrift betreurt het over twee staten verdeeld-zijn van het Nederlandsche Volk. Het betreurt dat als teeken van zijn nationale onvolgroeidheid, maar ook, omdat het tegenwoordig karakter van de Belgische staat de belemmering der vrije zelf-ontwikkeling van zijn Nederlandsche onderdanen tot een stuk Nederlandsche gemeenschap onvermijdelijk maakt’. [...]. ‘De taak, die Leiding zich op dit gebied van zijn werkzaamheid gesteld heeft, kan uit de aard van deze tegenstanden afgeleid worden. Zij is in de eerste plaats: zelf-opvoeding van het Nederlandsche Volk, Noord en Zuid, eenerzijds tot dat nationale eenheidsgevoel, dat de voorwaarde zelfs van een gemeenschappelijk Nederlandsch cultuurleven is, anderzijds tot dat inzicht en die tucht, zonder welke iedere op overwinning der tegenstanden gerichte beweging zich tot mislukking doemt. Zij is, in de tweede plaats: verzet tegen alles, onverschillig waar of door wie het mocht plaats grijpen, wat in theorie of praktijk de innerlijke eenheid van het Nederlandsche Volk verwaarloost, verloochent of benadeelt, steun van alles, wat die innerlijke eenheid, naar binnen en naar buiten, volgens ons inzicht kan helpen bevestigen en ontwikkelen’. Zowel in de eerste als in de tweede jaargang bracht Leiding artikelen, voor het merendeel van de hand van Gerretson en Geyl, die deze problematiek tot onderwerp hadden. De stellingname van twee der aanstaande redakteuren was er de oorzaak van, dat Van Dishoeck, die belang had bij een goede verstandhouding met de Belgische regering, zich terugtrok als uitgever van Leiding.
384Op 22 januari 1930, een week na de verschijning van het eerste nummer, schreef Geyl aan Gerretson: ‘Van Eyck heeft in de laatste maanden een daemonische werkkracht ontwikkeld’. Zie P. Geyl, Herinnering aan P.N. van Eyck in A'dams Ts. voor Letterk. 2 (1954) nr. 4-5, p. 23-27.
385Verhalend proza heeft Van Eyck voor de eerste aflevering niet meer gekregen. Dat kwam pas in de derde aflevering, nl. Aart van der Leeuw, Het avontuur van den huurder .
386Van Eyck heeft ‘stukken vertaling’ veranderd in: ‘karakteristieke brokken’.
prepostterug  begin  verder