terug  begin  verderprepost
[p. 211]

E 31

briefkaart

 

poststempel:

Golders Green NW 11

11.30 PM

7 JAN

1931

Mr. Aart van der Leeuw

Westeinde 140

Voorburg

Holland.

 

7/1/31

 

Beste Aart, ik heb tot heden onverdroten en week in week uit aan Slauerhoff gezwoegd, die ik nu over 2 dagen klaar hoop te krijgen. De afl. zal dus wel wat te laat komen. Maar ik begin onmidd. daarna met een kleine kroniek voor 't 2e nummer, òf over Marsman, òf over jouw boek,505 helaas nog altijd niet gelezen. De dag breekt nu echter eindelijk aan. Lukt dat, dan ben ik met het 2e weer op tijd. Je stuk heb ik in proef met voldoening doorgekeken. De verandering van het eind, het hier en daar even meer naar voren halen van een draad hebben het veel goed gedaan, vind je niet? Dank je dus wel voor dat slot, hoor! Nijhoff noemt ‘Het Landpad’ een ‘prachtige vertelling’.505a Waarom heb je die niet eerst even door mij laten plaatsen! En waarom schrijf jij, wanneer jij om zoo te zeggen op bestelling ‘prachtige vertellingen’ kunt schrijven, niet ook eens een prachtige vertelling op mijn bestelling! Na Jan. heb ik geen proza meer.506 En poezie heb ik alleen van Jacques en Nine, die ik op 't oogenblik nog niet plaatsen kan507 en een paar dingetjes van mij zelf + de herschreven Sterren die ik nog niet plaatsen wil, in Jan. ten minste niet. Ik bestel dus een vertelling.508 Laat

[p. 212]

je vrouw nu maar zorgen dat de bestelling uitgevoerd wordt. Heb je al kritieken over Kl. Rudolf?509 Wat zei Verwey er van? Schrijf nog eens aan ondergeteekende hard-werkende, of liever ploeterende banneling.

Hart. van beiden aan beiden

 

je

PN

 

In de rechter marge heeft Van Eyck geschreven:

Allerbeste wenschen voor beiden met 1931

 

Deze briefkaart besluit de briefwisseling tussen Aart van der Leeuw en P.N. van Eyck. Diens ‘beste wenschen’ gingen niet in vervulling. Begin februari werd Van der Leeuw ziek. Hij kreeg longontsteking, gevolgd door pleuritis. Hij overleed op vrijdag 17 april en werd de 21e te Voorburg begraven.

505Behalve het tweede deel van zijn studie over Slauerhoff stond er verder niets van Van Eyck in het maart-nummer. Hij heeft De kleine Rudolf wel besproken, een aantal maanden later, in het kader van Aart van der Leeuw's ontwikkelingsgang, en wel in het vierde hoofdstuk daarvan.
505aIn zijn bespreking van Twintig Noord- en Zuid-Nederlandsche verhalen in De Gids, januari 1931; VW 2, p. 642-644.
506In maart bevatte Leiding geen verhalend proza. Het mei-nummer bracht De stomme dingen van Elisabeth Zernike, waarvan in juli het slot volgde. De laatste twee afleveringen van het tijdschrift verschenen eveneens zonder verhalend proza.
507Het kon blijkbaar toch! Van Nine van der Schaaf stond in Leiding jan. '31 het gedicht Witte vogel en van J.C. Bloem Hart en wereld . In hetzelfde nummer plaatste Van Eyck toch ook een gedicht van zichzelf: De verkondiging . De herschreven De Sterren nam hij niet op in Leiding; zie ook noot 222. Daarna heeft er nog slechts in de juli-aflevering poëzie gestaan, en wel vier gedichten van Nine van der Schaaf: Strijders, Wording, Droomvaart en Zielsbegeeren .
508Van der Leeuw heeft deze vertelling op bestelling niet meer geschreven.
509Tot dan toe was er alleen in de N.R.C. van 12 november 1930 door Albert van Waasdijk een lovende kritiek geschreven, waarin deze ook gunstig oordeelde over het uiterlijk van het boek.
prepostterug  begin  verder