terug  begin  verder

[p. 14]



illustratie

Een vechtpartij

Buiten heerste december.

Peter Hajo trok de muts over de oren, stak zijn handen en polsen in de zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zo'n beetje om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog een winter!

Al gauw kreeg hij de groep jongens in het oog. Daar had je Lange Leen, die natuurlijk weer de leider van de troep zou zijn. Peter Hajo zou hem zodra de gelegenheid zich voordeed eens ongezouten aframmelen, want Leen keek altijd zo minachtend op je neer en zou zich op den duur wat te veel gaan verbeelden.

En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak die altijd met z'n oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en de emmer dragen moest.

Padde was Hajo's schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op de voet. Hij was het, die Hajo's heldendaden ruchtbaar maakte en hem tegenover iedereen verdedigde wanneer Hajo er zelf niet was om dat te doen. Honderdmaal was het gebeurd dat Padde, die niet zo hard kon lopen als de omstandigheden soms vereisten, in de vingers van een nijdige boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo de volgende dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe plekken wees.

Maar als Hajo weer appelen ging ‘rapen’ in de tuin van het Sinte Clarens-klooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem daarna met haar grote harde handen bont en blauw sloeg, - wanneer ze er niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en zusjes...

‘Hajo!’ riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. ‘Ik dacht dat je in “De IJzeren Man” stond!’

[p. 15]

‘'t Werd me er te warm!’ zei Hajo. ‘En Wouter was zo aan het hameren dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het doen?’

‘In de Karperkuil,’ zei er een.

‘Zou je 't niet liever eens in je moeders wastobbe proberen? Weet je wáár bot zit? Tegen de Italiaanse zeedijk aan!’

‘Juist!’ zei Padde, ‘daar zit de bot.’

‘Wel,’ zei Lange Leen, ‘gaan jullie dan naar de Italiaanse zeedijk. Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.’

Peter Hajo bleef rustig. ‘Van wie is die emmer?’ vroeg hij.

‘Van mij,’ zei Padde. ‘En dit ene net is ook van mij.’

‘Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet nodig, want ik heb er nog een bijt.’

Padde ontdeed zich van twee netten die hem nog over de schouder hingen en gaf de bijl aan Lange Leen.

‘Laat ze maar lopen, jongens!’ zei deze.

‘Wedden, dat er in de hele Karperkuil geen onnozel botje zwemt?’ vroeg Padde, terwijl hij met Hajo meeliep.

‘Wacht even!’ riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. ‘Wij gaan ook mee!’

‘Als je 't maar laat,’ dreigde Hajo. ‘Nou heb ik jullie niet meer nodig.’

Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs met de hoge pakhuizen en deftige patriciërswoningen. Juist wilden ze bij de Hoofdtoren rechts afslaan, de Italiaanse zeedijk op, toen een Friese tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig liepen ze toe om hem te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje of Padde werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een gezelschap deftige heren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind.

De heren lachten en gingen aan wal. Hajo groette hen vol ontzag.

‘Wie waren dat?’ vroeg hij aan schipper Blok, de eigenaar van de tjalk.

‘Wel,’ zei Blok, ‘die met die baard, da's schipper Bontekoe.’

‘Natuurlijk. Maar de anderen?’

‘Die bennen alle vijf van de Oostindische Compagnie. Die magere is uit Enkhuizen, en die dikke met z'n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik heb ze met de Hoornse Zon?,’ Blok wees op z'n tjalk, ‘naar Texel moeten brengen en weer halen ook. Daar leidt de Nieuw-Hoorn, weet je?’

‘De Nieuw-Hoorn?’

‘De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou 'm es moeten zien. Tweehonderd koppen aan boord!’

Hajo keek peinzend de deftig geklede heren na, die juist een ogenblik stilstonden voor Bontekoes woonhuis op de Veermanskade. ‘Zeg, Blok,’ vroeg hij, ‘wijs me eens hoe groot de Nieuw-Hoorn is.’

Blok trok een ernstig gezicht, spoog zo er eens voor zich heen en mat met zijn ogen de grond af. ‘Zie je dat paaltje, helemaal daarginds?’

‘Dat daar?’

[p. 16]

‘Nee, nog eentje verder. Zo lang is-t-ie vast wel van 't galjoen tot aan de spiegel.’

En de schipper ging met zijn beide zoons de zeilen inrollen.

Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer op, en de beide jongens vervolgden hun weg. ‘Die sprong in de tjalk viel niet mee!’ zei Padde. ‘'t Was een heel eind!’

Maar Hajo gaf geen antwoord.

Zo kwamen de jongens op de Italiaanse zeedijk. Er lag een brede strook ijs.

Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo's ogen duidde op onweer.

‘Kijk eens, Padde,’ zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. ‘Wat zie je daar op het ijs?’

‘Hemeltje!’ zei Padde, ‘daar is er een aan het botkloppen.’

‘Juist! Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen. Ken jij hem? Ik niet.’

Padde begon opgewonden te blazen. ‘In onze bijt! Nee, wie het is, kan ik niet zien. Ik zie niet zo goed als jij.’ En Paddes ogengeknip onderstreepte deze verklaring.

‘Kom mee,’ beval Hajo.

Padde stelde voor zichzelf vast dat het weer een spannende middag kon worden.

Samen stevenden ze op de roekeloze botklopper af.

Het was een netgeklede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek met een bijl op het ijs klopte, om de door de kou verdoofde bot te wekken en naar de bijt te lokken waarin het verraderlijke net hing. De jongen was zo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat hem boven het hoofd hing.

Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze de dijk afgingen, rende hij op de ijverige klopper toe. Maar vlak bij hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover op het ijs - dat weinig meegaf! - en kwam verbouwereerd overeind.

De jongen keek op. Zijn ernstig gezicht nam een meewarige uitdrukking aan. ‘Ja, het ijs is hier glad,’ zei hij.

‘Wat doe jij hier!’ voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte beentjes krabbelde.

‘Botkloppen,’ antwoordde de jongen. ‘Heb je je pijn gedaan?’

‘Botkloppen?’ schreeuwde Padde. ‘Ik zal je helpen!’

De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: ‘Waar je nu staat is het niet meer nodig! De bot zal daar wel erg geschrokken zijn.’

Padde hapte naar adem. Daar hij de juiste woorden niet vond om zijn gemoed te luchten, trapte hij de emmer om die bij de bijt stond.

De bot sprong overal op het ijs rond.

Toen tintelde er iets in de ogen van de onbekende jongen. Hij sprong uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich voor zijn aanrander op en zei kalm en vriendelijk: ‘Doe die bot weer in de emmer alsjeblieft.’

[p. 17]

‘Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!’ beloofde Padde.

‘Dat is goed,’ zei de jongen. ‘Maar zoek eerst de bot bij mekaar. Een - twee...’

Toen kwam Hajo. ‘Halt! Laat m'n vriend met rust!’

De jongen mat zijn nieuwe tegenstander van het hoofd tot de voeten, iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet wanneer hij die het deed er zo keurig uitzag als deze onbekende jongen.

‘Goeiemiddag,’ zei de vreemdeling vriendelijk.

‘Waar woon je?’ klonk het grimmig uit Hajo's mond.

‘Ik kom uit Alkmaar.’

‘Zo, dus je wist niet dat dit mijn bijt is.’

‘Jouw bijt?’ vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: ‘En als het ijs nou weer smelt... blijft de bijt dan van jou?’

Dat was te veel. ‘Kom mee naar de dijk,’ zei Hajo kortaf. ‘Ik wil met je vechten.’

Padde glom van blijde verwachting. ‘Nou zul je eens wat beleven, mannetje!’

De jongen luisterde er niet naar. ‘Ik ga met je mee,’ zei hij. ‘Maar eerst moet die dikzak...’ En langzaam kwam hij op Padde af, die druk met zijn oogjes knipte. ‘Een - twee - dr...!’

‘Zoek ze maar even bij mekaar, Padde,’ zei Hajo.

Toen bukte Padde zich. ‘Ik doe het omdat ik gauw wil zien hoe jij 'm aframmelt, Hajo!’

Peter Hajo en de nette onbekende jongen begaven zich naar de dijk. En twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan één arm zijn eigen emmer en aan de andere de emmer met bot.

Zo belandden ze op de verlaten dijk. Padde zette zijn lege emmer omgekeerd neer en ging zitten.

‘Begin maar,’ zei Padde.

De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo's ogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor de sprong. De ander wachtte rustig de aanval af.

‘Pak hem, Hajo!’ riep Padde. ‘Met één douw leg je 'm.’

Maar Hajo had Paddes raad niet afgewacht: was toegesprongen.

De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo op, en deze had het alleen aan zijn weergaloze vlugheid te danken dat hij niet werd neergedrukt.

Padde was van opwinding van zijn emmer gesprongen.

‘Je wint het, Hajo! Hij is zo stijf als een stokvis!’

Maar ‘wilde’ Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn man gevonden. Na een minutenlange strijd stonden ze nog net zo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een gekookte kreeft.

‘Zo schieten we niet op,’ hijgde Hajo. ‘Laten we even rusten en dan opnieuw beginnen.’

De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo amechtig op de emmer ging zitten die Padde hem eerbiedig afstond, liet de vreemde jongen

[p. 18]

een onderzoekende blik over zijn kleren gaan, klopte zich het zand van de broek.

‘Verduiveld jammer dat je hem hebt losgelaten, Hajo,’ zei Padde. ‘Binnen twee tellen had-ie op z'n rug gelegen!’

‘Hou je gezicht!’ gromde Hajo.

De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. ‘Ben je smid?’ vroeg hij.

Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. ‘Jij bent zeker pennelikker, hè, dat je je zo opdirkt.’

‘Ik ben scheepsjongen,’ was het antwoord.

Dat werkte. Hajo sprong overeind. ‘Scheepsjongen?!’

‘Is het zo gek, als iemand scheepsjongen is?’ vroeg de ander verbaasd.

Hajo maakte een onwillige beweging. ‘Ik zou het niet willen wezen!’ schimpte hij met iets weeks in zijn stem.

‘Waarom niet?’

‘Daarom niet!’

‘We hebben het hier best,’ zei Padde. ‘Hij wordt smid en ik kom bij m'n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij maar voor aap op die smerige schuit van jou.’

Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. ‘Je bent zeker bij de walvisvaart, hè?’

‘Nee,’ was het antwoord. ‘Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.’

‘Dacht ik niet dat je zo'n peperdief was?’ riep Padde.

‘Hoe... hoe oud ben je?’ vroeg Hajo.

‘Ik ben veertien.’

Veertien’?! Wie... wie heeft je aangenomen?’

‘Schipper Bontekoe zelf.’

‘Zo,’ schimpte Hajo. ‘Dan is je vader zeker zelf naar de schipper gegaan om voor zoonlief een plaatsje te vragen?’

De vreemde jongen keek even voor zich uit, de zeedijk af. ‘Ik heb mijn vader nooit gekend,’ zei hij toen.

Hajo wilde zich zelf wel een klap om de oren geven.

De jongen uit Alkmaar keek hem onderzoekend aan. ‘Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.’

‘Welles,’ gromde Hajo.

‘Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar je anders nooit achter zou komen! Vreemde landen, onbekende volken... andere dieren, bomen en planten... en dan zo'n lange verre reis overzee. Later word ik reder en bouw schepen voor de grote vaart; ik wil ...!’

Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij zonder nog een woord te spreken de richting van de Westerdijk in.

De toekomstige reder keek hem verbaasd na.

En Padde voer uit: ‘Hij heeft je toch gezegd dat hij niet varen wil? Wat heb jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je dat 't zo lollig is die kletspraat aan te moeten horen, als je zelf in de smederij moet staan?’ Hij

[p. 19]

pakte zijn emmer op en zei dreigend: ‘Wee je gebeente als ik je wéér eens tegenkom!’ En grommend en brommend sukkelde Padde achter Hajo aan.

De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om zijn lippen toen hij zijn emmer beetpakte en de dijk opging, in de richting van de Veermanskade...

 

Hajo en Padde liepen de Westerdijk af, de poort door, daarna weer verder. Hajo voorop, Padde een halve pas achter hem aan.

Het was die dag stil geweest, maar nu tegen de avond stak de wind op.

In Hajo's binnenste stormde het. Padde begon te schelden op de onbekende jongen. ‘Hij met z'n rederij! Met die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast erin!’

Hajo antwoordde niet. Zijn grijze ogen tuurden voor zich uit, de zee over. Hij hoorde niet wat Padde zei.

Wat hij hoorde - dat was de taal van de zee! De zee sprak met Peter Hajo... de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel verteren deed van verlangen. ‘Peter... fluisterde de zee hem in het oor. ‘Peter... kom, Peter... kom dan toch! Ik ben oneindig, Peter... niemand kent me, Peter... als je wist, Peter, wat voor verre vreemde landen... Peter...! Peter...?!’

Padde hijgde en blies en begon langzamer te lopen.

Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen de wind in; Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet de zoute wind door zijn haren vliegen.

Padde waagde een nieuwe poging. ‘Laat die vent maar naar zee gaan! Wij hebben 't hier best, hè, Hajo?’ Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf hij het op.

Zo kwamen de jongens bij het vallen van de duisternis weer de poort binnen. Hajo stevende in de richting van de Hoofdtoren.

‘Gaan we nog niet naar huis?’ vroeg Padde.

‘Ga jij maar.’

‘Ik blijf bij je.’

Bij de Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet de zware klopper vallen.

Sprakeloos bleef Padde staan.

De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar de wel onverwachte, maar haar lang niet onbekende gast.

‘Is de schipper thuis?’ vroeg Hajo. ‘Ik wil hem spreken.’

‘Jij??’ vroeg de dienstbode.

Padde vond zijn spraak terug. ‘Laat hem binnen!’ schreeuwde hij. ‘Als je niet wilt dat ik morgen je emmers wéér omtrap!’

‘Stil, Padde!’ zei Hajo. En tegen de dienstbode: ‘Zeg de schipper dat ik mee naar de Oost wil. Toe, alsjeblieft...’

De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zojuist van plan geweest de deur voor Hajo's neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze een ogenblik. ‘Mee naar de Oost? Jij mee naar de Oost??’

[p. 20]

Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: ‘Laat hem binnen, Aagje!’

Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem... was dat niet...?!

Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet en op zijn kousen op de dikke vloermat stond van het deftige portaal met z'n koperen luchter, was het tot Hajo doorgedrongen dat zijn laatste kans verkeken was. De jongen met wie hij had gevochten, woonde hier in huis!

 

Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde dat het een aard had en wachtte op het ogenblik dat Hajo de deur zou worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen.

Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de huizen aan de overzijde van de kade spiegelde zich zacht glanzend in het ijs; Padde kon aan de hele hemel geen enkel sterretje ontdekken. In de verte jankte een hond; een schaatser kwam, krits-krats, de gracht af en... Was dat daarbinnen de stem van schipper Bontekoe niet? Weg was de stem weer. ‘Arme Hajo,’ dacht Padde. ‘Arme vriend Hajo!’ Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z'n ziel, dát stond vast! - Wat stond hier een tocht! Weer huilde de hond, nu dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in de stille donkere winteravond. Padde huiverde.

Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z'n vingers natellen dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op te lopen. ‘Ik heb het verdiend,’ bekende hij zichzelf met een zucht. ‘Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk dat ze me slaat. Laten andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het doen? Of Thijs Veermanszoon? Of Klaas van de Lage dijk? Nee, nietwaar? En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad óóit wel eens een broek hebben gescheurd, behalve dan die keer dat hij van Hajo een pak rammel heeft gekregen? Ik durf wedden dat zijn moeder niets dan plezier van hem beleeft. - Zou ik naar huis gaan?’

Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer neer. ‘'t Gaat niet,’ zuchtte hij. ‘Zie je, zo ben ik nou. Ik kan zo moeilijk naar huis, als ik een vriend heb. Dat is bij vader net zo en daarom loopt hij van de ene kroeg naar de andere, en moeder zal wel denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.’

Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich en streelde hem over de kop. ‘Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik 't geven.’

De hond likte zijn hand, besnuffelde zijn broekzak.

‘Drommels,’ zei Padde. ‘Dat is waar ook. Jij hebt toch een echte hondeneus, beestje!’ En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op. ‘Kun je mooi zitten?’

Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Paddes opgeheven hand.

‘Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft m'n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij denkt: brood is brood en ... hap! - Laat me uitspreken, Keesje. Als ik groot ben,

[p. 21]

zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m'n oom - nog even geduld! - dan - wil ik - stil! - dan wil ik hard werken, om m'n moeder net zoveel brood te kunnen geven... als ze maar hebben wil! Ziezo. Nou krijg je het.’ En Padde zag hoe de keeshond het brood in een ommezien verwerkte. ‘Je hebt het eten nog niet verleerd,’ zei hij, ‘al lijkt het me dat je het niet vaak doet.’

Padde richtte het hoofd op toen hij in de richting van de herberg: ‘De Drij Coninghen’ het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam. Tranen welden in zijn ogen op. ‘Dag, Hajo,’ zei hij zachtjes. ‘Dag, beste vriend Hajo!’ En tegen de hond, die zich bibberend tegen zijn dijen had gevlijd: ‘Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij m'n moeder of m'n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te doen. Dat... dat verzeker ik je.’

Padde stond op, liet zich door de keeshond een pootje geven en liep langs de donkere straten naar huis...



illustratie

terug  begin  verder