Van teruggaan was geen sprake meer: Hajo zat in de val. De dienstbode leidde hem door een brede gang in een deftige kamer. Daar moest hij maar wachten. En Hajo wachtte in het zweet zijns aanschijns. Hij keek vol ontzag naar de zware gladgewreven eikenhouten meubelen, naar het glimmend gepoetste koper bij de indrukwekkende schouw, naar de in gouden lijsten gevatte tekeningen van schepen, waarbij er ook waren als een vis in mootjes gesneden, zodat je er binnen in kon kijken; naar de zwaar fluwelen overgordijnen en naar dat prachtige tapijt dat brandde onder zijn sokken. ‘Wat moet jij hier, indringer!’ riep alles hem toe. ‘Raak ons niet aan: je zou ons smerig maken. En wat ruik je naar de smederij!’ De grote spiegel aan de wand lispelde hem in het oor: ‘Had jij je haren niet eens kunnen kammen? Wat zie je er vies en zwart uit!’
Hajo begon zich met de mouw van zijn jas aan een reinigingsproef te onderwerpen - zonder gunstige uitslag: de mouw was ook zwart.
Zou hij stilletjes weglopen? De gang door en dan vlug de deur uit? Maar hij verwierp het plan even snel als het was opgekomen: men zou denken, dat hij iets had gestolen, en hem nalopen en roepen: ‘Houdt de dief!’ Het bloed steeg hem naar de wangen.
Hajo zat in de val. Hopeloos. Zo meteen zou de schipper binnenkomen - Hajo zag zijn statige figuur al! - en zeggen: ‘Jij, smerig manneke, jij wou mij spreken? Jij, kwajongen, wou de gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn spreken?! Pak je weg, galgebrok! Ik heb zo juist een en ander over je gehoord! 't Is fraai, hoor!’
En wat zou hij moeten antwoorden? ‘Schipper, hij viste in mijn bijt?’ De deur uitjagen liet hij zich niet! Hij zou op z'n dooie gemak de gang doorlopen en buiten z'n klompen aantrekken of er niets was gebeurd.
Zou de schipper nog lang wegblijven? Hajo haalde diep adem. Hoe kwam het dat hij het zo benauwd had? Z'n hele lichaam kriebelde - natuurlijk omdat hij nog warm was van dat onzinnige sjouwen! Wat zou hij zeggen als de schipper binnenkwam? ‘Goeie avond, schipper?’ Zo, zonder erg? Hajo kromp even ineen toen hij weer een blik in de spiegel wierp. 't Was erbarmelijk zoals hij er uitzag.
Arme Peter Hajo! Hij had wel kunnen grienen. Hij en grienen!
Toen naderde buiten de gang een zware stap. De deur opende zich: schipper Willem IJsbrantsz. Bontekoe, gezagvoerder van de Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, kwam de kamer binnen.
‘Goeienavond, jongeman!’ zei de schipper vriendelijk. ‘Ik hoor dat je me wat te vragen hebt?’

Die vriendelijkheid was erger dan een pak slaag. Het duizelde Peter Hajo. Wat was dat nu? De schipper zette hem niet de deur uit? Stond hem zelfs welwillend te woord? Of school er een adder in het gras? Onmogelijk! In de klare ogen van de zeeman vond hij niets dat op dubbelzinnigheid duidde.
‘Schipper,’ stamelde hij, ‘schipper... ik zou... ik wil... ik...’
Een glimlach verscheen op het gebruinde gezicht van de grote man. ‘Ik had uit een verhaal van mijn neef opgemaakt dat je je mondje wel wist te roeren,’ zei hij.
Daar had je het! Dus toch! Hajo's kin beefde. Maar hij zei geen woord.
De schipper kreeg medelijden. ‘Wel,’ zei hij, ‘dan zal ik het woord maar doen. 't Is goed. Je gaat mee.’
‘Méé...?’ stotterde Hajo.
‘Mee naar de Oost,’ zei de schipper. ‘Met de Nieuw-Hoorn.’
Hajo begon te trillen als een riet. ‘Nieuw-Hoorn...’ stamelde hij. ‘Oost...?!’
‘Precies,’ zei de schipper glimlachend. ‘Je schijnt me vlug van begrip. En ik
hoor van mijn neef dat je een paar stevige knuisten hebt en je de kaas niet van je brood laat eten. Dat zijn eigenschappen die ik bij m'n volk nodig heb.’
‘Schipper!!’ En Hajo maakte een beweging om Bontekoes handen te grijpen.
Deze werd even verrast door zijn uitbarsting. ‘Wil je zó graag mee?’
Toen gebeurde er iets wat Hajo in geen jaren overkomen was: Hajo griende.
‘Zo-zo,’ zei schipper Bontekoe. ‘Je heet Hajo, hè?’
‘Jawel, schipper. Peter Hajo.’
‘Zoon van Harmen Hajo?’
‘Jawel, schipper. Maar vader is...’
‘Ik weet het,’ zei schipper Bontekoe. ‘Diezelfde nacht zijn er nog drie andere botters vergaan.’ Hij zweeg een ogenblik en zei toen langzaam, zonder Hajo aan te zien: ‘Jouw vader, Peter Hajo, was een wakker man. Ik verwacht van zijn zoon hetzelfde.’ Toen vroeg hij ineens: ‘Je moeder vindt het toch wel goed, dat...’
‘O, die vindt het best, schipper!’
‘Wat vindt die best? Dat je haar verlaat?’
‘Ja zeker, schipper!’
Bontekoe kon een nieuwe glimlach niet onderdrukken.
Maar zijn gelaat stond weer ernstig toen hij vroeg: ‘Wat was je aan de wal, Peter Hajo?’
‘Smidsknecht, schipper.’
‘Tevoren nog wel eens wat anders gedaan?’
‘Jawel, schipper. Drogistenjongen in “De Gouden Gaper”.’
‘Beviel je dat niet?’
‘Nee, schipper.’ En Hajo kneep het er angstig uit: ‘'k Ben er weggestuurd, schipper...’
‘Zó?? Hoe kwam dat zo?’
Hajo beet zich op de lippen. Hij kon de schipper toch niet zeggen dat hij zoethout had gesnoept en de kat van de oude drogist pillen had ingegeven om haar het muizenvangen te leren?
De schipper wilde hem helpen. ‘Ben je nog wel eens in een ander vak geweest?’
‘Jawel, schipper!’ zei Hajo, blij dat hij uit de brand was. ‘Loodgieter.’
Bontekoe zette grote ogen op. ‘En... eh... dáárvoor?’
‘Metselaar, schipper.’
‘En tevoren??’
Hajo moest even nadenken. ‘Ik geloof...’
‘Breek je hoofd maar niet, Peter Hajo. Ik zie wel dat je al heel wat hebt meegemaakt. Overal weggestuurd?’
Hajo knikte. Met ogen waarin de angst te lezen stond volgde hij de schipper, die in gedachten verzonken het vertrek op en neer stapte. ‘Schipper,’ kreunde Hajo, ‘ik zal... ik wil... ik beloof...’
Met een ruk keerde Bontekoe zich om en keek hem recht in het gezicht. Hajo voelde dat die ogen dwars door z'n baadje heen zagen. En juist daarom doorstond hij de blik.
‘Luister, Peter Hajo,’ zei de schipper. ‘Als je moeder geen bezwaren heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg hem dat je overmorgen met de Hoornse Zon meegaat naar Texel, waar de Nieuw-Hoorn op goede wind wacht.’
‘Jawel, schipper...!!’ Het klonk als een juichkreet. En met zijn roetknuisten veegde Hajo haastig over het gezicht, dat straalde van onmetelijk geluk... en blonk van tranenvocht.
‘Doe dat niet,’ raadde Bontekoe. ‘Je zult er helemaal als een Moriaan gaan uitzien.’
Hajo trok snel zijn vuisten weg. ‘Schipper ik zal altijd...’
‘Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen nodig. Als je moeder geen bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn monsterrol. Denk er om dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag kunnen worden, en dat in de grote mast een vlag wappert die we tegenover de hele wereld moeten hooghouden. Verstaan?’
‘Verstaan, schipper’... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit!
En toen een groot ogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de Nieuw-Hoorn, stak de scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper!
Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen die vanmiddag in zijn bijt had gevist. ‘Ik heet Rolf,’ zei die. ‘We moeten maar goeie vrienden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de schipper, en ik scheepsjongen, dat snap je!’
‘Ben je dan niet nijdig op me?’ stamelde Hajo.
‘Nijdig??’ vroeg Rolf. En zijn gezicht stond ernstig als altijd toen hij er op liet volgen: ‘Dacht je dan dat ik er jou in had laten vissen als 't mijn bijt was geweest?’