terug  begin  verder

[p. 26]



illustratie

Moeder

In het kleine, armoedige huisje in de Bagijnesteeg wachtte Peters moeder.

Drie jaar geleden, in de nog in aller geheugen levende najaarsstormen van het jaar 1615, was de botter van haar man vergaan, en Peters vader en oom waren verdronken. Vrouw Hajo bleef met vier kinderen achter: Peter, twee meisjes: Antje en Maartje, nu twaalf en tien jaar oud, en Doris, die destijds nauwelijks lopen kon. Het was voor de weduwe een hele taak om, naast haar dagelijks werk in huis, met naaien genoeg te verdienen om zich en haar kinderen te kunnen voeden en kleden. Maar ze sloeg er zich door.

Een grote zorg was het voor haar dat haar oudste jongen voor galg en rad dreigde op te groeien. Peter haalde van de vroege morgen tot de late avond kattekwaad uit; dagelijks kwamen klachten binnen, dat hij de hele buurt onveilig maakte. Haar man was de goedheid zelf geweest en kwam er niet gauw toe zijn kinderen te slaan, maar Peter had er hem verscheidene malen toe gebracht.

Op zijn twaalfde jaar had Peter de wens te kennen gegeven om te gaan varen.

[p. 27]

Van die dag af had zijn moeder helemaal geen rustig ogenblik meer. Ze probeerde op alle manieren hem in iets anders plezier te doen krijgen. Hij kwam eerst bij een schoenmaker in de leer, waar hij het drie volle weken uithield - toen werd hij weggestuurd. Een leerlooier ontfermde zich over hem, maar werd er slecht voor beloond: de tweede dag poetste Peter de plaat, omdat hij de stank van de looierij niet prettig vond. De leerlooier wilde evenmin Peter terugzien als Peter de leerlooier, en Peter belandde bij een slager. De eerste dagen, toen hij alleen maar vlees behoefde rond te brengen, was alles botertje tot de boom: hij zwierf met zijn vleesmand aan de arm urenlang de haven rond. Toen kwam de dag dat hij voor de eerste maal zou helpen bij het slachten van een koe. Hij hield zich goed, maar toen het bloedige werk was afgelopen, sloop hij met een kwaad geweten door sloppen en stegen naar huis. Die nacht deed hij geen oog dicht en de volgende morgen weigerde hij kort en goed, weer naar de slagerij te gaan.

De bokkingrokerij volgde. Peter verklaarde, als hij daar bleef, zelf tot een bokking te zullen worden gerookt en liep weg.

Ook voor timmerman bleek hij niet in de wieg te zijn gelegd, evenmin voor metselaar, loodgieter of drogist. Eindelijk kwam hij in de smederij van meester Wouter. Daar was hij nu al een half jaar!

Zijn moeder, die zich met de gedachte verzoend had dat haar Peter naar zee zou gaan - op het land wilde hij immers niet deugen? - voelde haar hoop weer opleven. Zou het nu toch eindelijk goed gaan? Haar zorgen bleven talrijk genoeg: Peter scheurde op onverklaarbare wijze zijn kleren tot zelfs zijn muts toe, brak elk ogenblik wat en bezorgde haar doorlopend onrust, maar dat alles vergaf ze hem graag, wanneer hij nu maar eindelijk enig blijk gaf, een bruikbaar mens te willen worden.

Was Peter Hajo ineens veranderd? Allerminst. De zaak lag eenvoudig zo, dat de smederij hem van alle bedrijven op het land het minst afstootte en hij besloten had het zo lang te harden tot zich een gelegenheid zou voordoen het ruime sop te kiezen.

Nu en dan had hij zelfs wel schik aan het smidsbedrijf! Hij kon bij het balgtrekken de hele wereld vergeten wanneer hij in de rossig blauwe, onrustig lekkende vlammen tuurde, die tegen de krakende, knetterend barstende houtblokken een grimmige veldtocht voerden. Steeds sneller trok Hajo de balg aan; steeds wilder dansten de lange vuurduivels. Ze grepen het weerloze hout van alle kanten aan, omslopen het, wrongen zich listig met hun lenige lichamen tussen de spleten door en staken honend de tongen uit wanneer hun list gelukt was. Bezijden het tochtgat, waarboven de grote helrode vlammen oplaaiden, speelden kleine blauwe duiveltjes krijgertje op zwarte, verkoolde lijken. Hajo was als in boeien geslagen. Dat leger roodrokken behoorde hem toe; op zijn bevel bestegen ze hun rossen en vielen loeiend aan, klauterden over de muren van hout en grepen de ijzeren bout bij de keel, die star, onwrikbaar hun dolle aanval wachtte. Daar begon de bout al te gloeien, meester Wouter legde hem op het aanbeeld, hief de hamer op; met een donderslag kwam het stalen blok neer; de vonken spatten alle kanten uit. Sa! Hou vast! Boem!

[p. 28]

Hoor het dreunen! Zo werd de bout overwonnen.

En dan van de zomer! Toen de boeren met hun jonge paarden waren gekomen die voor het eerst beslagen zouden worden! Sapperloot, daar moesten de beestjes niets van hebben. En wat een wonder! Peter Hajo zou zich ook niet laten welgevallen dat men hem van die gloeiende ijzers aanspijkerde. Ze beten en sloegen achteruit - je moest op je tellen passen!

Als de boer aan wie het paard behoorde naar de markt was en baas Wouter even de rug had gekeerd, zag Hajo zijn kans schoon om, floep, met een fikse sprong op de paarderug te wippen. Dan kwam het op vasthouden aan! Hajo greep met z'n vuisten in de manen, trok de benen naar achter om niet gebeten te worden, en dan ... Ha-ha-ha! ‘Zie, dat je me eraf krijgt!’

 

Maar Peter Hajo's moeder lachte niet die avond dat ze op haar oudste zoon wachtte. Een uur geleden was de hoefsmidsvrouw uit ‘De IJzeren Man’ bij haar geweest en had met haar schelle stem gezegd: ‘Al is m'n man dan een sul, ik ben het niet! Ik zal ervoor zorgen dat die strop van een jongen niet weer over m'n drempel komt! Nu is het met m'n goedheid afgelopen!’

Peters moeder had niets geantwoord...

Zwijgend was er gegeten; moeders gedruktheid werkte terug op de kinderen.

Toen Antje, Maartje en Doris naar bed waren, was moeder met haar naaiwerk bij de haard gaan zitten. Ze zei tegen zichzelf dat ze heel boos was op haar Peter, omdat hij van zijn werk was weggelopen en zich zo weinig aan zijn moeder stoorde dat hij met eten niet thuis kwam en haar liet wachten, avond aan avond, terwijl hij kattekwaad uithaalde. Ze zou hem vragen of zij het aan hem verdiend had dat hij haar leven zo vergalde, en of hij ook wist hoe vader op dit ogenblik wel over hem zou denken.

Zou het helpen? Peter was licht ontroerd; ze wist dat hij ondanks alles van zijn moeder hield en geheel te goeder trouw beterschap zou beloven. Maar zou hij zijn belofte kunnen houden? Zou hij - aangenomen, dat baas Wouter hem toch nog weer bij zich nam - over een week niet weer opnieuw weglopen?

‘De zee zit hem in het hoofd,’ zuchtte ze. De zee - dat zou tenslotte toch nog het enige zijn. Daar kon hij niet weglopen als het hem in de zin kwam; daar heerste onverbiddelijk strenge tucht; daar zou zijn teugelloze zin tot avonturen bevrediging vinden. Maar dat had nog de tijd. Welke schipper zou een veertienjarige jongen aannemen?

En dan...! Peters moeder beet zich op de lippen.

Buiten sloeg de torenklok. Zeven uur al! Waar zou hij toch zo lang blijven? Haar boosheid maakte plaats voor onrust. Hij zou toch niet onder het ijs liggen?! Dwaasheid! Was het niet honderdmaal gebeurd, dat hij haar had laten wachten? - Maar de gedachte liet haar niet los. Op het laatst werd ze zo onrustig en opgewonden, dat ze haar werk ter zijde moest leggen.

Zou ze eens in de steeg gaan zien of hij er aankwam? Ze stond op. Wel, als ze nu tóch ging kijken, kon ze meteen wel even een doek omslaan en naar de haven doorlopen. Maar toen ze opstond, meende ze ineens... Snel ging

[p. 29]

ze weer zitten, nam haar naaiwerk op en deed alsof ze helemaal niet had willen uitkijken. Zie zo, nu zou ze nog ééns proberen...

Toen werd de deur opengerukt; haar jongen stortte naar binnen, wierp zich in haar armen en snikte: ‘Moeder! Moeder! Ik ga naar zee!’

Dat werkte! Peters moeder werd er helemaal bleek van. ‘M'n jongen! Mijn jongen! Hoe is dat zo opeens...’

‘Schipper Bontekoe... Nieuw-Hoorn... Texel... Oostinje...’ bracht Peter er uit. ‘Ik zal alles vertellen!’

‘Goed, m'n jongen,’ zei moeder. En terwijl ze met grote ogen staarde naar de buitendeur die nog wijd openstond, herhaalde ze toonloos: ‘Dat is goed... - Doe de deur dicht, Peter.’

En ze ging naar de kast, waar zijn koud geworden eten te wachten stond.

terug  begin  verder