terug  begin  verder

[p. 30]

Het grote afscheid

Al vroeg in de volgende morgen klopte Padde tegen de ruitjes van het kleine huisje in de Bagijnesteeg. Hajo deed hem open en bazuinde zijn vriend het grote nieuws tegemoet.

Padde sloeg er haast van achterover. ‘Hoe moet het nou met mij?’

‘Vraag of je ook mee mag,’ stelde Hajo weifelend voor.

Ik mee? Denk je dan, dat ik mee wil?! Ik ga toch in de bierbrouwerij van m'n oom? Dan weet je wat je hebt!’

Hajo vertelde wat zich had afgespeeld sinds hij Padde had verlaten. ‘En morgen ga ik met de Hoornse Zon naar Texel, Padde!’

‘Onmogelijk!’ riep Padde ontzet uit. ‘Ze zullen een dagje moeten wachten!’

‘Waarom is het onmogelijk?’ vroeg Hajo.

‘Waarom??’ Padde spalkte zijn oogjes open. ‘Je moeder moet toch een uitzet naaien en je moet hier ook nog van de hele stad afscheid nemen!’

‘M'n moeder is vannacht aan m'n uitzet begonnen,’ zei Hajo. ‘En dat afscheidnemen in de stad is binnen een uur bekeken.’

‘Dat zal je niet meevallen!’ verzekerde Padde. ‘Vooruit, trek je klompen aan: we beginnen dadelijk!’ En hij ging op zijn vingers natellen van wie Hajo zo al afscheid zou moeten nemen.

‘Ik moet ook even naar schipper Blok, om te zeggen...’

‘Ook dat nog?’ stamelde Padde. ‘Ik heb al zevenendertig mensen waar je beslist heen moet! Ben je klaar?’

‘Ik kom!’ Hajo ging naar de achterkamer waar moeder druk met naaiwerk bezig was. Hij kuste haar en ging met Padde mee.

‘Luister goed,’ zei Padde. ‘Ik heb altijd gedaan wat jij wou, maar vandaag ben ik de baas. Jij bent veel te veel van streek, om zelf alles te regelen. Ik ben kalm, dat zie je wel dat ik kalm ben, en daarom zal ik het doen. Ik zou niet graag willen dat je er met afscheid nemen eentje oversloeg, en ik later de praatjes moest horen.’

Hajo liet zich voor het eerst in zijn leven door Padde leiden.

‘Naar baas Wouter!’ beval Padde. Ze sloegen de richting van de smederij in.

‘'t Is niet goed met de baas,’ stelde Hajo vast toen hij de korzelige hamerslag vernam waarin niets van het blijde ritme lag, dat het hebben kon wanneer de baas in een goeie bui was.

‘Hij zal van z'n lieve Leentje weer eens op z'n tabernakel hebben gekregen,’ meende Padde. Hij opende de deur der smederij, stapte naar binnen. ‘Morgen, Wouter! We komen afscheid nemen!’

Meester Wouter liet de hamer zinken. ‘Satanse jongen!’ was al wat hij zei.

‘Wees niet boos op me, baas, dat ik gisteren...’

[p. 31]

‘Hij gaat naar de Oost,’ zei Padde. ‘'t Is de vraag of hij ooit zal terugkomen.’

‘Naar de Oost?’ vroeg Wouter, ineens met een trilling in zijn stem. ‘Jij, Hajo?’

‘Ja, baas.’

‘Met de Nieuw-Hoorn!’ zei Padde. ‘Heb je geen oude kist, Wouter? Om als scheepskist te gebruiken. Daarvoor zijn we gekomen.’

Wouter had Hajo zijn zwarte smidsknuist toegestoken. ‘Ik ben niet boos, hoor! Waarachtig niet! Wil je wel geloven... hm! En een kist heb ik ook wel voor je. Waarachtig wel! Ik zal er banden omslaan, dan kan-ie tegen een stootje.’

‘Zou je over de hoeken ook geen plaatjes leggen?’ stelde Padde voor.

‘Komt in orde,’ zei baas Wouter.

Hajo wilde hem bedanken. ‘Baas, ik...’

‘Sssst!’ gromde Wouter. ‘Niet zo luid! Als m'n vrouw het hoorde... nou, dan zwaaide er wat voor je! - Zeg... eh, als jullie de kist straks komen halen, loop dan even achterom. 't Is maar, zie je...’

Padde knipte met z'n oogjes. ‘Gesnapt, Wouter. Als ze ons met die kist zag lopen... nou, dan zwaaide er wat voor je, hè?’

‘'t Is alleen om de stoep,’ gromde Wouter. ‘Die wordt zo smerig van al dat geloop.’

De jongens gingen weg. En de voor zijn stoep zo bezorgde smid keek het tweetal na. Toen dwaalde zijn blik even door de lege werkplaats en hechtte zich op de verlaten plaats onder de blaasbalg. ‘Satanse jongen!’ mompelde hij. Hij snoof even, veegde zich over de wangen, hief grimmig de hamer op en liet de smidse dreunen.

‘Naar schipper Blok,’ beval Padde.

Ze liepen langs het raadhuis, de Rode Steen over, lieten de Waag links liggen en gingen de Grote Oost af. Het was nog niet helemaal licht; de straten waren leeg, op een enkele melk- of turfkar na.

Zo kwamen ze in de Jeroensteeg bij schipper Bloks bescheiden woning aan. Padde klopte met een gewichtig gebaar aan.

Er werd niet opengedaan.

‘Daar kon hij nog wel eens spijt van hebben,’ meende Padde. ‘Een van de mannen van de Nieuw-Hoorn in de kou laten wachten!’ Hij wilde met zijn vuisten net een roffel slaan toen er een knip werd weggeschoven, de deur half geopend en door de kier een hand met een melkkan verscheen. ‘Vier maatjes, Kobus,’ klonk een vrouwestem.

‘Knap maar!’ gromde Padde en trok Hajo weer mee. ‘Kom, dan gaan we nu maar eerst naar Truitje Cannegieter. Meisjes zijn geweldig op afscheidnemen gesteld!’

Truitje Cannegieter woonde in de Leliestraat. De jongens moesten dus weer dwars de stad door, langs het Gouw en dan de Turfhaven over.

Truitje, een lichtblond, blozend meiske met een kort, rood lijfje en een blauw baaien rok, was al ijverig bezig het straatje voor de huisdeur te schrobben. ‘Zo!’ riep ze vrolijk toen ze het onafscheidelijk tweetal zag naderen. ‘Waar gaan jullie naar toe?’

[p. 32]

‘Naar Oostinje,’ zei Padde. ‘Nou ja: ik natuurlijk niet. Ik kom in de bierbrouwerij van m'n oom, dan weet je wat je hebt. Maar Hajo gaat met de Nieuw-Hoorn mee. Tegen de wilden vechten.’

‘Oh!’ riep Truitje. ‘Is het heus? En breng je een aapje voor me mee?’

‘Je krijgt een papegaai,’ beloofde Padde.

‘Als ik er een machtig kan worden...’ weifelde Hajo.

‘Je hebt ze maar te grijpen,’ zei Padde. ‘Maar achter de kop, denk er om, want ze bijten gemeen. Een andere vraag is of jij wel levend terug zult komen, Hajo.’

‘Ja, wees maar voorzichtig!’ ried Truitje moederlijk aan.

‘Je kunt zo voorzichtig zijn als je wilt,’ zei Padde, ‘maar voor je er erg in hebt, heb je een giftige pijl in je lever.’

‘Wat griezelig!’ stamelde Truitje.

‘Griezelig is het goeie woord,’ zei Padde. ‘Die wilden daar springen van de ene boom op de andere, net eekhoorns. Het enige wat je er tegen kunt doen is ze eruit te schudden. En dan al die slangen, tijgers, olifanten en krokodillen! In de bomen hangen noten als kanonskogels, die geregeld op je kop vallen als je er onder gaat slapen!’

‘Hoe weet je dat allemaal?’ vroeg Truitje ontzet.

‘Dat heeft dronken Roeltje me zelf verteld. Moet je hem eens over de menseneters horen! Ze staan met zúlke messen klaar om je levend te villen. Jongens van veertien zijn het lekkerst, zeggen ze.’

‘Onzin!’ zei Hajo. ‘Je duwt ze maar een paar kralen of gepoetste duiten in de hand, en ze denken er niet meer aan je een haartje kwaad te doen! Gewoonlijk willen ze je dan met de dochter van z'n menseneteropperhoofd laten trouwen.’

‘Dat zou je toch zeker nóóit doen?’ vroeg Truitje.

‘Nooit!’ zei Padde. ‘Hij laat zich liever levend verslinden. Ga eens kijken, Truitje, of jij bij geval wat kralen voor ons hebt. 't Gaat om z'n leven, dat begrijp je.’

‘Kralen??’

‘Nou ja, kralen, rinkelbellen, wat je maar missen kunt. Zoek maar goed; wij zullen wel wachten. Want daarvoor zijn we gekomen.’

Toen Truitje naar binnen was gegaan, zei Padde tot Hajo: ‘Zie je nou dat je voor het afscheidnemen wel een dag of wat nodig zult hebben?’

‘Op die manier wel,’ lachte Hajo.

‘Het is de enige goede manier,’ stelde Padde vast.

‘Ik wou dat ik maar vast op de Nieuw-Hoorn zat, Padde!’ En Hajo kneep zijn vriend in de arm, zuchtte van blijde spanning.

Padde zweeg en keek voor zich uit...

Een ander meisje kwam uit de voordeur, Truitjes twintigjarige zuster Sijtje, even fris, blozend en stevig als haar jongere zusje. Ze hield iets onder haar schort verborgen. Na een snelle blik achteruit in het voorhuis te hebben geworpen, wenkte ze Hajo. ‘Kom eens even hier, Peter?’

‘Ja,’ zei Padde en deed een pas naar voren.

[p. 33]

‘Nee, ik moet Peter hebben.’

Padde bleef grommend staan. En Hajo werd naar binnen geloodst. Achter de deur hield het meisje hem staande en fluisterde: ‘Je gaat met de Nieuw-Hoorn mee, hè?’

Hajo knikte.

‘Nou, daar is ook een Fries aan boord! Hij heet Hilke. Hilke Jopkins! Die moet je dit maar geven, wil je?’ En Sijtje haalde van onder haar heldere boezelaar een paar enorme paars-wollen handschoenen te voorschijn.

‘Sokken?’ informeerde Hajo.

‘Handschoenen!’ zei het meisje, wat beledigd.

‘Ze zijn zo reusachtig groot...’

‘Vind je? Ja... och, Hilke is helemaal nogal groot! En met handschoenen, dat weet je ook wel, is het beter te groot dan te klein. En vind jij het dan soms mooi als een man van die kleine handjes heeft, net als een meisje? Ik vind het gewoon afschuwelijk. En jij?’

‘Ik ook,’ zei Hajo.

‘Nou, vervolgde Sijtje tevreden. ‘Zeg hem maar dat ze nog niet klaar waren toen hij hier was, anders had ik ze hem dadelijk meegegeven. En... eh, als je kunt, zorg er dan voor dat hij wat voorzichtig is, wil je? Hilke is altijd zo vreselijk onvoorzichtig.’



illustratie

[p. 34]

‘Ik zal ervoor zorgen,’ beloofde Hajo.

Sijtje keek hem liefkozend aan. ‘Hier!’ fluisterde ze, terwijl ze van onder haar rokken een zeer, zeer rijk gekleurde das opdiepte, ‘die is voor jou. Ik had 'm eigenlijk voor Hilke gehaakt, zie je, als hij terugkomt, maar nou is ie voor jou.’ Ze zuchtte even. ‘Ik heb toch tijd genoeg om nog een andere te haken... - Kom hier, kereltje, dan zal ik je de das omstrikken.’ En vol aandacht en zorg knoopte ze de das om Hajo's hals.

‘Je bent een lieve meid, Sijtje,’ zei Hajo.

‘Malle jongen! Zeg Hilke dat ie me eens schrijft. Zul je 't doen?’

‘Ja, Sijtje.’

‘En dat ie gauw terugkomt. Zul je?’

‘Ja, Sijtje.’

‘En zeg 'm, dat...’ Op het onverwachtst begonnen Sijtjes lippen te beven.

‘Ik zal 't 'm zeggen,’ beloofde Hajo.

Toen gebeurde iets wat niemand verwachten zou: Sijtje nam Hajo's blonde kop in haar handen en zoende de verbouwereerde jongen op beide wangen dat het klapte. ‘Ga nou maar,’ fluisterde ze haastig, toen in de gang voetstappen klonken.

Buiten brak Hajo zowat de hals over Padde, die op z'n knieën voor de deurkier lag. ‘'n Schat van 'n meisje!’ zei Padde met schorre stem.

‘Wat?! Heb je geluisterd?!’

‘En alles gezien! Vergeet die handschoenen niet te geven! En let 'n beetje op Hilke. Dat laatste zeg je 'm natuurlijk niet!’

‘Wat?’

‘Dat ze je gezoend heeft. - Laat me die das eens kijken? Alsjeblieft, vijf kleuren. Die das is met liefde gebreid, Hajo!’

Truitje kwam terug met een verfomfaaide pop, een half kapotte rinkelbel, een koperen, ineengedeukte vogelkooi, een verroeste koffiemolen, een mombakkes en een verzameling gekleurde kraaltjes. Schuchter omziend, knipte ze het touwtje door waarmee een handwerkschaartje aan haar hals was bevestigd. ‘Hier, neemt dit ook maar mee. Ik zal wel zeggen dat ik het verloren heb.’

Padde was in de wolken. Hij ging zorgvuldig na in welke staat de verschillende kostbaarheden verkeerden, liet de rinkelbel rinkelen en Hajo het mombakkes opzetten. Toen hij de koffiemolen ontdekte, sprong hij een el hoog de lucht in. ‘Een koffiemolen! Ga nou maar gerust naar de wilden, Hajo! Met een koffiemolen bij je, hoef je nooit bang te zijn! Ik ken hopen lui die aan een koffiemolen hun leven te danken hebben, en die zeggen allemaal: Naar Oostinje? Best! Maar niet zonder koffiemolen!’

‘Zou ik alles op het schip mogen brengen?’ vroeg Hajo weifelend.

‘Wat dacht je dan?!’ zei Padde verontwaardigd. ‘'n Mensenleven is geen kleinigheid!’

‘Vooruit dan maar! Dan kan ik in die kooi meteen Gerrit meenemen!’

Gerrit was een tamme torenkraai, die al twee jaar lang lief en leed met Hajo deelde.

‘Nou, we moeten weg!’ zei Padde.

[p. 35]

‘Ja. Ik dank je wel, hoor, Truitje! En ik zal nog er eens om je denken, als ik zo'n zwartjeshoofdman die pop in z'n vingers douw.’

‘Praat me er niet van, Peter!’ zuchtte het meisje. ‘Goeie reis, hoor, en kom me maar levend terug.’

Padde kon slecht tegen hartroerende tonelen: een dikke traan biggelde over zijn wang en bleef aan zijn kin hangen, want Padde had beide armen vol en zag geen kans de traan weg te vegen. ‘Nou naat Jansje Bezem,’ zei hij met gebroken stem.

‘Wéér een meisje?’ vroeg Hajo.

Padde keerde zich verbaasd om. ‘Wou je soms van jongens kralen los krijgen?’

‘Maar heb je dan nóg niet genoeg?’

‘Ik begin pas! - Juist zulke kleinigheden redden je leven, Hajo! Vraag 't maar aan Roeltje! Kralen, knopen... hemeltje, knopen hebben we nog niet! Denk er om, dat je die in elk geval meekrijgt!’

Jansje Bezem woonde in de Hanekamsteeg, en dus moesten ze opnieuw de hele stad door.

‘Had je 't met afscheidnemen niet wat handiger in kunnen pikken?’ vroeg Hajo. ‘We sjouwen op die manier driemaal meer dan nodig is.’

‘Breng me niet in de war,’ zei Padde. ‘Ik heb genoeg aan m'n hoofd.’

‘Nou, maar ik vertik het langer. Ik moet niets van al die meisjes hebben!’

‘Wat? Van Jansje Bezem niet?!’

‘Van Jansje Bezem helemáál niets.’

‘Hoe is 't mogelijk!’ zei Padde. ‘'t Is een schat van een meisje!’

‘Zo. 't Kan, maar ik heb er nooit wat van gemerkt.’

‘Als je eens wist wat een ezel je bent,’ zuchtte Padde. ‘Waarachtig, je mág Jansje Bezem niet overslaan!’

‘Voor mijn part dan. Maar ik wil eerst naar Dove Nelis, daar zijn we nu toch in de buurt.’

Padde haalde de schouders op en volgde Hajo grommend naar het kleine huisje van Dove Nelis, een oude zeerob die in z'n goeie dagen met Willem Barendts op Nova Zembla had overwinterd, later doof was geworden en in Hoorn zijn laatste jaren sleet temidden van scheepjes in flessen en duizenden-een reisherinneringen. Hoe vaak had Hajo niet z'n tijd vergeten als Dove Nelis aan het vertellen was? Van Dove Nelis wilde hij in de eerste plaats afscheid nemen.

De ouwe baas stond juist op het punt om zijn gewone morgenwandelingetje langs de haven te maken. Maar toen de jongens binnenkwamen, trok hij zijn jas weer uit en zei Grietje, zijn goedmoedige huisvrouw, koffie te zetten.

Hajo gebruikte de handen als spreektrompet en schreeuwde Dove Nelis zijn grote nieuws in het oor.

‘Dat mag ik horen!’ zei Nelis, terwijl hij vergenoegd voor zich heen knikte. ‘Zo zo, met schipper Bontekoe! Een puike schipper! Een beste, brave ouwe! Varen, m'n jongens, dà's het mooiste wat er is. Daar kè-je met landrotten niet over klesse; dat moet je voelen, hè? Als je op je schuit staat en je kijkt zo

[p. 36]



illustratie

eens schuin langs je bezaansmast en je zegt zo losweg: makker, zeg je, wat voor weer steekt er achter 't zeil? of: bootsman, wat dach-ie, wanneer zouden we weer d'r eens land voor de boeg krijgen?... wat je dan voelt, dat weet alleen een zeeman. Varen, jongens, dat mot in je bloed zitten, dat kè-je niet leren. Je moet het ruiken of er ergens riffen of banken liggen; je moet het ruiken of je kan uitvaren of niet. En jongens, je moet meer van je schuit houwen as van jezelf! Als er een storm staat dat je meer zeewater as soep binnenkrijgt dan moet je niet denken: Heer in de hoge hemel, red mij! Nee! Dan moet je denken: genade voor m'n schuit! Zie je, als je zo midden op de oceaan dobbert en je zit 's avonds wat te kletsen over je wijf en je kinders, hè, nou, en in 't vooronder leggen me die apen van jongens van d'r lui meissies te zingen, zie je... dat moet je voelen. Daar ken je met landrotten niet over klesse...’

Hajo liet z'n ogen dwalen. Hij wás al op de oceaan.

‘En de zeeziekte?’ riep Padde. ‘Wat doe je tegen zeeziekte?’

Dove Nelis gromde wat en was niet erg spraakzaam meer.

‘Kom,’ zei Padde daarom, ‘we moeten weer verder.’

De jongens stapten op; Hajo nam met tranen in de ogen afscheid van zijn oude vriend. Bij de deur duwde Grietje Padde een flesje in de hand. ‘Hier, Padde, bewaar jij het maar voor hem. Het is 't beste middel tegen zeeziekte.’

Padde sloeg een gat in de lucht. ‘Grote genade, Hajo! Dát is me een pak van het hart!’ En hij borg het flesje zorgvuldig onder zijn pet.

[p. 37]

De jongens vervolgden hun weg naar Jansje Bezem in de Hanekamsteeg. Was het gedachteloosheid van Padde toen hij op het Grote Oost, in plaats van recht door te lopen, de Bottelsteeg insloeg naar de Appelhaven, waar hij woonde? Ze waren al een eindje de steeg in, toen Hajo stilhield. ‘Waar gaan we eigenlijk naar toe?’

Padde keek verwonderd op. ‘Naar Jansje Bezem! Waar anders heen?’

‘Dan maken we nu een omweg.’

‘Zou je denken?’

‘Ik denk het niet, ik weet het. En jij weet het net zo goed als ik.’

‘Mij best,’ zuchtte Padde. En met een martelaarsgezicht maakte hij rechtsomkeert. Maar twee huizen verder hield hij weer stil en greep Hajo bij de arm. ‘Zeg... eh, Hajo...! Nou we tóch eenmaal hier zijn, konden we eigenlijk ook wel even langs mijn huis lopen, vind je niet? 't Is nog geen tien passen om!’

‘Maar wat zouden we er moeten doen?’

‘Dat vraag je nog? Afscheid nemen van mijn moeder!’

‘Zou die er erg op gesteld zijn?’

Padde slikte iets weg. ‘Nou, en óf ze er op gesteld zal zijn!’

Hajo weifelde.

‘Je hoeft niet,’ zei Padde beledigd. ‘Ik zal je niet dwingen! 't Laat mij natuurlijk ijskoud, dat snap je wel, nietwaar?’

Hajo aarzelde nog even, sloeg toen de richting van de Appelhaven in.

Paddes gezicht straalde.

Zijn moeder, een grote, bleek uitziende vrouw, was bezig het smalle gangetje te dweilen dat naar het huisje en nog enkele andere krotten voerde, die een gemeenschappelijke bleek en een groentetuintje hadden. Vóór op de straat gooiden een paar zusjes en broertjes van Padde elkaar met modder.

‘Blijf daar!’ riep Paddes moeder haar oudste zoon toe toen hij met Hajo het gangetje wilde binnengaan. ‘Vóór het eten kom je me niet in huis. En dan je smerige klompen uit. Begrepen?’

Padde kuchte en schoof Hajo voor zich. ‘Peter gaat naar Oostinje, moeder. Met de Nieuw-Hoorn! Schipper Bontekoe heeft hem dadelijk aangenomen! Hij komt afscheid nemen!’

‘Wacht dan maar even,’ zei de vrouw. En zwijgend werkte ze voort.

‘Goed, moeder,’ antwoordde Padde snel. ‘We zullen wel wachten.’ En tegen Hajo verklaarde hij: ‘We hebben nu de tijd! Als ik geweten had dat we zo gauw ergens een koffiemolen zouden opduikelen... En dat middeltje tegen de zeeziekte! Jansje Bezem geeft ons wel knopen. O, heertje, zoveel we maar hebben willen! Trouwens - m'n moeder is met dat gangetje in twee tellen klaar. Geschrobd is ie al, hè, en dweilen, nou, dat is in een ommezientje bekeken.’

Hajo knikte half luisterend.

Maar Padde kon niet meer aan het woord komen, want z'n broertjes en zusjes hingen hem al om de hals. ‘Rijden!’ schreeuwden ze. ‘Hop paard!’ En Padde galoppeerde en sloeg met de achterbenen als een vurige hengst.

Toen kwam zijn moeder naar voren. Zij veegde zich de haren voor het

[p. 38]

gezicht weg, stopte Hajo een in een rode zakdoek geknoopt bundeltje in de handen, keek hem streng aan en zei met haar zware stem: ‘Geef dat aan je moeder. Zeg haar ook dat ik morgen een uurtje kom helpen, want ze zal het druk hebben met je uitrusting.’

‘Morgen gaat hij al weg, moeder,’ zei Padde.

‘Dan kom ik vanmiddag. Nu heb ik geen tijd. Ben je door Wouter weggestuurd?’

De jongens schudden eenstemmig ontkennend het hoofd. ‘Wouter timmert zelfs nog een kist voor hem!’ zei Padde. ‘Met ijzeren plaatjes om de hoeken!’

‘Dat valt me mee van een galgebrok als jij bent,’ zei de vrouw tot Hajo. ‘Je moeder heeft je veel te weinig slaag gegeven. Op zee zullen ze je wel leren!’

‘Ik zal zorgen dat ik geen slaag meer krijg,’ antwoordde de jongen.

Paddes moeder keek even op van de kordaatheid waarmee dat er uitkwam. De schaduw van een glimlach gleed langs haar stroeve mondhoeken. ‘We zullen zien of je woord houdt! Wees zuinig op je goed en spaar wat je verdient voor je moeder.’

Hajo beet de lippen opeen. ‘Zou ik tóch gedaan hebben,’ zei hij.

Maar Paddes moeder had het alweer te druk om Hajo nog te woord te kunnen staan - nu met het herstellen van de orde onder de kleinen, tussen wie een vechtpartij was ontstaan. Ze tilde de hoofdschuldige bij zijn oren van de grond en droeg hem naar het turfhok om hem op te sluiten. In het voorbijlopen knikte ze Hajo toe. ‘Ik hou je aan je woord!’ riep ze. ‘Goeie reis!’

Padde trok zijn vriend terzijde. ‘Laat eens kijken?’ vroeg hij, op het rode bundeltje wijzend.

Hajo knoopte het los. Er zaten een broek en een paar sokken in.

Padde betastte ze eerbiedig. ‘Dat is mijn nieuwe broek,’ zei hij. ‘Zondag zou ik 'm voor het eerst aankrijgen. 'n Mooie stof, hoor! En ijzersterk. En die sokken heeft ze van de herfst gebreid.’

Hajo werd er wat verlegen onder. ‘Jouw broek?’

‘Ja. Net als die sokken. Die waren anders ook voor mij geweest. Maar da's niks hoor: ze breit wel weer nieuwe.’

‘Maar moet ik die zakdoek tenminste niet...’?

‘Teruggeven? Welnee! 't Is vaders zakdoek voor de kerk. Nou ja, daar gaat hij toch nooit naar toe, want als hij zaterdagsavonds thuiskomt...’ Paddes stem trilde. ‘Vooruit!’ zei hij, ‘we gaan naar Jansje Bezem!’

 

Toen de jongens tegen de middag weer in de Bagijnesteeg aanlandden, waar moeder met het eten wachtte, bleek duidelijk dat de Hoornse meisjes, hoe ondeugend Hajo dan ook mocht wezen, hem toch niet door menseneters wilden laten verslinden. Als Hajo op staande voet een uitdragerij was begonnen, zou zijn fortuin zijn gemaakt.

Met een stralend gezicht zette hij een prachtige, sterke kist voor zijn moeder neer. ‘Van Wouter gekregen! 't Is een échte scheepskist! En dit is van Paddes moeder, kijk eens hoe mooi! Vanmiddag komt ze zelf om met m'n uitzet te helpen.’

[p. 39]

Moeder knikte, terwijl ze het bundeltje losknoopte. Ze wilde nog wat zeggen, maar kwam niet goed uit haar woorden.

 

's Avonds, toen de kinderen naar bed waren gebracht, zei moeder: ‘Peter, je moet afscheid nemen van je broertje en je zusjes, want morgen ga je weg, vóór ze wakker zijn.’ Haar stem was nu rustig en werkte kalmerend op Hajo's verwarde gedachten. Hij ging naar de achterkamer, waar Doris en Maartje en Antje sliepen, boog zich over hun bedstee en beloofde papegaaien en kokosnoten, apen, tijgers, jonge olifanten en menseneters in een kooi te zullen meebrengen. En bij elke belofte biggelden hem de tranen over de wangen. Hij kwam op onvaste voeten in de voorkamer terug, waar hij zijn moeder in de stoel bij de haard zag zitten. Ze lachte hem toe.

‘Kom eens bij me zitten, Peter. We zullen voor het laatst eens wat praten, hè? Want er zijn een paar dingen die even moeten worden geregeld. - Kijk, hier is de sleutel van je kist. Aan een touwtje, zie je wel? Buk je hoofd eens, Peter, dan zal ik hem om je hals hangen. Zo... nu kan je hem niet verliezen. En hier is een zakje waarin ik drie guldens heb genaaid, voor het geval je in verlegenheid mocht komen. Hang het onder je hemd als je straks gaat slapen. 't Is niet zo heel veel, Peter, maar... maar...’

‘Moeder,’ snikte Hajo, ‘wat moet ik met al dat geld doen! Jij hebt het nodig voor Maartje en Antje en Doris en voor jezelf. Ik verdien toch geld?’

‘Stil!’ zei moeder. ‘Als het schip... als je schipbreuk mocht lijden... dat zakje kun je niet verliezen en... Vaders bijbeltje heb ik ook in je kist gedaan en een lokje haar van ons allemaal. Dan heb je tenminste iets als je aan ons denken wilt. - Over een paar jaar kom je pas terug. Je zult dan een grote sterke jongeman zijn geworden die héél wat meer heeft gezien dan vader of ik. Al die tijd, Peter, zal ik... zal ik rustig wachten en vast vertrouwen dat alles goed gaat. En Peter van mij, als je ooit eens verdrietige ogenblikken hebt, zeg dan maar gerust, zeg dan altijd maar gerust: mijn moeder denkt aan mij... Beloof je me dat, Peter?’

‘Moeder!’ kermde Hajo.

‘Dan is het goed, m'n jongen. En nu moet je naar bed gaan, dat je morgen een flinke nachtrust achter de rug hebt.’ Ze sloeg haar armen om hem heen.

En Peter Hajo, scheepsjongen op de Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, liet zich, tegen zijn moeder gedrukt, als een klein jongetje naar bed brengen.

Hij kleedde zich uit zonder bewust te zijn dat hij het deed. Maar door de wolk van grauw die voor zijn ogen hing, schitterde heel ver weg iets bonts en vreemds dat zijn hart deed zwellen van opwinding en blijdschap.

Zijn moeder ging stil, om de kinderen niet te doen wakker schrikken, naar de voorkamer. Ze leunde tegen de haard en bleef een ogenblik staan met al de kalmte waarover een moeder beschikt als ze zo juist afscheid genomen heeft van haar jongen die naar de Oost gaat.

Toen begonnen haar schouders te beven en ze borg het hoofd in de handen.

terug  begin  verder