terug  begin  verder

[p. 50]



illustratie

Op zoek naar de bottelier

Aan de zware eikenhouten tafel in de grote kajuit van de Nieuw-Hoorn zaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De schipper bestudeerde ingespannen een grote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn ogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aantekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen.

Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van de schipper!

Plotseling hieven beide heren het hoofd op: voor de ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. ‘Laat me er door!’ schreeuwde een stem. ‘Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!’ Op hetzelfde ogenblik werd de deur opengerukt, en een kleine dikke jongen stormde het vertrek binnen, op de voet gevolgd door de waardige, reeds grijzende scheepsbarbier, in de wandeling ‘Vader Langjas’ genoemd.

De vermetele binnendringer - wie was het anders dan Padde? - staarde met ogen waarin de ontzetting lag uitgedrukt in het strenge gezicht van Bontekoe. ‘Meneer... de tjalk is weg!’

‘Schipper! Die drommelse aap van een jongen... hm!’ gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.

‘Ga jij je gang maar, Vader Langjas,’ zei Bontekoe. ‘Ik zal met de jongeman wel even afrekenen.’

[p. 51]

‘Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelse kwajongen... hm!’ En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.

Padde viel voor de schipper op de knieën. ‘Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief...!’

‘Sta jij eens op,’ zei Bontekoe op een toon die weinig goeds voorspelde.

Padde kroop weer overeind; zijn ogen zwommen in tranen. ‘Schippertje, toe...!’

‘Vertel mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! Geen uitvluchten, alsjeblieft.’

‘Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan...’

‘Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!’

‘Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zo verschrikkelijk en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, en toen al die kanonnen ineens...!’

‘Die kanonnen heb je dus gehoord?!’

‘Jawel, schipper, maar ik durfde niet naar buiten te komen! Ik dacht... ik dacht, dat er Duinkerkers...!’ En Paddes verwilderde ogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.

‘Aap van een jongen, was toch voor de dag gekomen; dan had je nog terug gekund!’

‘En nou niet meer, schipper?!’

Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. ‘Hoe zit het eigenlijk? Sta je me hier voor 't lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op. Wilde je met je vriend mee?’

Paddes ogen dreigden uit de kassen te vallen. ‘Mee naar Oostinje??!’ stamelde hij en greep zich in de haren. ‘Ik ga toch in de bierbrouwerij van m'n oom?! - O, schippertje, schippertjelief, keer om, in 's hemelsnaam...!’ En opnieuw viel Padde voor Bontekoes voeten neer en probeerde zijn handen te grijpen.

Bontekoe zag in dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek, vroeg toen: ‘Jij heet Padde, hè?’

‘Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.’

‘Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord werk verschaffen, want ledigheid is 's duivels oorkussen. En als je goed aanpakt en we mochten toevallig een schip ontmoeten dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.’

‘Wanneer zou dat zijn, schipper?’

‘Dat kan vandaag nog gebeuren en 't kan ook nog wel drie maanden duren.’

‘Drie maanden...,’ herhaalde Padde toonloos.

‘Maak je geen zorgen,’ troostte Bontekoe. ‘Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.

Padde sprong overeind. ‘M'n moeder slaat me nooit, schipper!’

‘Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,’ zei Bontekoe. ‘Maar we zullen eens naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?’

[p. 52]

‘Klimmen, schipper?’

‘Ja. In een touw bijvoorbeeld.’

‘O... nee, schipper. In een touw niet.’

‘Op een ladder wel?’ vroeg Bontekoe.

‘Op een ladder wel!’ haastte Padde zich vol ijver te verklaren.

Bontekoe wierp de koopman een vrolijke blik toe. ‘Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem dat je hem helpen moet. Begrepen?’

‘Jawel, schipper...’

‘Goed zo. De deur is achter je.’

‘Jawel, schipper...’ Padde bleef staan.

‘Ben je nog niet weg?’

‘Schipper... schippertje...’ Paddes oogjes knipten smekend, ‘zou je nou heus niet nog even terug willen zeilen?’

Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging die Padde aanleiding gaf, met zoveel spoed de kajuit te verlaten dat hij buiten de deur een dikke, blozende, vriendelijke, enigszins scheelziende man pardoes omver liep. ‘Kijk uit je ogen!’ snauwde Padde.

De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.

En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange schrale janmaat met rood haar en groene glazige ogen als van een vis werd het eerst door hem aangeklampt.

‘Waar is de bottelier?’

De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. ‘De bottelier? Drie maal 't schip rond, de vierde hoek van 't zeil om, en dan aan 't vijfde touwtje trekken, dan komt ie wel.’

‘Wil je op je ziel hebben?’ vroeg Padde.

De vent begon te mekkeren als een geit.

Padde snoof en brieste en pakte een ander bij z'n jas. ‘Waar is de bottelier?!’

De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk - het inleggen van een touw - op. ‘Wat kan ik verdienen als ik je 'm wijs?’

‘Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!’ schreeuwde Padde.

‘Dat verandert,’ zei de man. ‘Luister goed! De bottelier is vast op 't schip: ik heb 'm vóór twee reizen nog gezien. Loop maar een eindje door, dan zul je 'm wel vinden. 't Is zo'n lange magere korte dikke kerel.’

Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats die over de verschansing hingen en pruimden.

‘De bottelier?’ vroeg de grootste, die een scheef gezicht had en daarin een half dicht oog. ‘Weet je wat je vooral niet vergeten mag als je de bottelier zoekt?’

‘Nou?’ vroeg Padde weifelend.

‘Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten,’ zei de kerel.

[p. 53]

‘Heb jij je ene oog ook vergeten?’ vroeg Padde. Toen sprong hij haastig opzij.’

Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartige, baardige zeerob die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. ‘Ja, ze zullen je wel lelijk voor de mal houden!’ zei de zeerob, terwijl hij zijn klare ogen medelijdend op de nieuwbakken botteliersmaat richtte. ‘Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je de bottelier wijzen, hoor, heb maar 'n ogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar 'n handje, dan gaat het vlugger.’

‘Graag!’ zei Padde, blij dat hij de trouwhartige, vriendelijke zeerob een wederdienst kon bewijzen.

‘Je bent een brave jongen,’ verklaarde de zeerob. ‘Hier is olie. Smeer er maar op los.’ En Padde smeerde tot de spil en hij zelf om het meest glommen.

‘Goed zo!’ prees de trouwhartige zeerob. ‘Je zult het gauw leren. - Ziezo, nou deze spil ook nog even.’

Padde was alweer aan het werk. De lof die de ervaren zeerob aan zijn smeertalent had toegezwaaid prikkelde Padde: hij smeerde nu zo aandachtig en ijverig dat hij niet merkte hoe de zeerob er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vrolijk wijsje tussen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.

Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: ‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen. Kom, nou de spil van het plechtanker.

Padde keek sip. ‘En de bottelier?’

‘Plicht gaat voor, jongen,’ zei de trouwhartige zeerob. ‘Eerst nog even de spil van het plechtanker!’

‘Maar ga je dán heus met me mee?’

‘Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb...’

‘En wanneer zou dát afgelopen zijn?’ vroeg Padde weifelend.

‘Dat hangt er vanaf,’ zei de trouwhartige zeerob. ‘Als je me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar, maar anders gaat m'n hele middag er mee heen.’

Paddes ogen schoten vol tranen; hij wendde zich af.

‘Ja... plicht gaat voor,’ zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en verdween in de richting van de plecht.

Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de hele wereld verlaten en wenste, dat de Nieuw-Hoorn vandaag nog met man en muis zou vergaan. Hij begon te huilen, en hoe meer hij snikte, des te meer meelij kreeg hij met zichzelf.

Onverwachts werd hij op de schouder getikt. Hij keerde zich om en keek in het blozende gezicht van de schele dikzak die hij, uit de kajuit komende, omver gelopen had.

‘Wat scheelt er aan, kereltje?’ vroeg de man vriendelijk.

Maar Padde had zijn vertrouwen in de mensheid verloren. ‘Gaat je geen barst aan!’ gromde hij. ‘'k Heb niks.’

‘Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?’ vroeg de man.

Padde haalde de schouders op. ‘Jij bent zeker ook gekomen om me voor

[p. 54]

de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!’

‘De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da's merakel: ik ben de bottelier!’

Padde kon een kreet niet onderdrukken. ‘Is 't heus?! Hou je me niet voor de gek?’

‘Welnee,’ zei de dikkerd. ‘Waarom zou ik je voor de gek houden?’

Padde vloog hem om de hals. ‘Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!’

‘Wel, da's merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij...’ De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aan. ‘Wel, da's nou waarachtig 'n groot merakel. Je lijkt... je lijkt op m'n jongen,’ fluisterde hij.

‘Is die hier ook op 't schip?’ vroeg Padde.

De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.

‘Waar is ie dan?’

De bottelier kuchte, legde zijn hand op Paddes schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: ‘D'r staan... d'r staan nog wel twintig kruiken die allemaal moeten worden gespoeld. Kom... kom maar mee, kereltje.’

 

Ook Gerrit doorleefde die eerste namiddag aan boord stoere ogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.

‘Alsjeblieft!’ zei er een, die een beetje mank liep, ‘Daar ligt het zootje!’ En hij sleurde Hajo's ‘ruilhandel’ te voorschijn. ‘Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.’

‘Gepest worden,’ bevestigde de tweede, een grove kerel met een door de pokken geschonden gezicht.

‘Hè-hè-hè!’ grinnikte de derde, een wat gebogen manneke.

‘Wat we kunnen doen,’ zei de manke, ‘is: de hele rommel zoek maken.’

‘Zoek maken! zei de pokdalige.

‘Hi-hi-hi!’ grinnikte de kleine.

‘Ka!’ riep Gerrit.

De drie mannen schrokken. Toen begon de manke te lachen. ‘Wel verduiveld!’ riep hij. ‘Die kraai zullen we de nek omdraaien!’

‘Nek omdraaien!’ stelde de pokdalige voor.

De manke ging naar de kooi en probeerde de bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zo vlug als een gezonde torenkraai maar zijn kan.

‘'n Aardig beessie,’ zei de manke.

‘Pik!’ zei Gerrit en hakte met z'n snavel.

‘Als ik 't mormel in m'n vingers krijg!’ dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend zwarte gevangene naar buiten.

‘Zo, maak nou je testament maar!’

[p. 55]



illustratie

Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.

Hajo kwam het vooronder binnen, zag de rommel op de grond en merkte dat de manke iets verborgen hield. ‘Wat heb je daar?’ vroeg hij.

‘Dat gaat je niet aan!’

‘Ka!’ schreeuwde Gerrit.

Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. ‘Laat los die kraai! Hij is niet van jou.’

‘Van jou dan zeker. Laat de bootsman 'm maar niet zien!’

‘Laat hem los!’

‘Ik zal 'm voor je ogen z'n nek omdraaien,’ sarde de manke.

Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi en smakte die in blinde drift de kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude vermolmde bodem begaf het, en de kooi kwam om 's mans nek te hangen. Hij moest de luid schreeuwende Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. ‘Ik zal je, kleine salamander!’

En terwijl Gerrit half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van woede, de aanval van de manke af te wachten.

Die liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op de scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.

En juist toen Hajo, ondanks zijn weergaloze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van de veel sterkere janmaat, kwam Folkert Berentsz.

[p. 56]

het vooronder binnen. De manke voelde zich hardhandig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd los.

‘Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?’

‘'n Mooie scheepsjongen!’ gromde de manke, terwijl hij zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en zijn bloedende pols aflikte. ‘'n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m'n kop stukgeslagen!’

De gevreesde bootsman richtte zijn ogen dreigend op Hajo.

‘Hij wou m'n kraai de nek omdraaien, bootsman!’

‘Ka!’ riep Gerrit.

‘Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!’

‘De schipper kent hem,’ zei Hajo.

‘Kijk hier eens, bootsman!’ klonk het uit de mond van de manke. ‘Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!’

‘Donder en bliksem...,’ stotterde Berentsz.

‘De schipper weet er van, bootsman.’

‘De schipper, de schipper, de schipper...!’ gromde Berentsz. ‘'n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was...!! - Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in 't schavuitengat rekenen!’ beet hij de manke toe. ‘En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!’

Weg was de bootsman.

Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en probeerde er de bodem weer in te duwen.

De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.

Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kooien.

Het geluk, het onmetelijke geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn ogen schitterde, was vertroebeld. Hij dacht aan thuis, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan... ‘Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moeder denkt aan mij...’ - Moeder... Moedertje!

Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.

Het was intussen donker geworden.

De frisse zeelucht deed hem goed. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs de boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol sterren lag verdwaald over het uitspansel.

Langzaam aan kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van de wind, het klapperen van een losgewerkte hoek van een der fokzeilen, het gekreun van de golven die scheurden onder de scheepsboeg, naar het eentonig gezang van de roergangers:

 
Wie heeft er nooit dat schip gezien
 
Met zeuven zwarte masten?
 
Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;
[p. 57]
 
Aan boord staan vreemde gasten!
 
Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho...!
 
Een duivel zit op het galjoen;
 
De dood staat aan het roer;
 
In de kombuis blaast in het vuur
 
Een zwarte duivelsmoer!
 
Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho...!’

‘Hallo!’ klonk het achter hem. Daar stond Rolf. ‘Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?’

Hajo vertelde wat hem overkomen was.

‘We zijn met z'n beiden,’ zei Rolf. ‘Wie het één van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!’

Daar kwam Padde aansukkelen.

‘Hallo Padde!’ zei Rolf, ‘zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel 'n hartig woordje met je hebben gesproken?’

‘Hij wil niet meer terug,’ zuchtte Padde. ‘Hemeltje, wat zal m'n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!’

Rolf moest er om lachen. ‘Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog.’

‘Was 't maar waar,’ klaagde Padde. ‘Ik val om van de maf.’

‘Ik doe een voorstel, Padde!’ zei Rolf. ‘We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en we helpen mekaar altijd en overal. Hand erop?’

‘Hand erop,’ zei Hajo.

‘En jij, Padde?’

Net luidde met heldere slagen een klok.

‘De etensbel!’ riep Padde.

‘Hoe weet je dat?’

‘Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?’

‘Vooruit dan maar!’ zei Rolf.

En zo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.

terug  begin  verder